Feed on
Posts
Comments

De Homo sessilis


Direct na binnenkomst stelde H. een vraag: ‘Hoeveel stoelen staan er in jouw huis?’ Lichtelijk overrompeld wees ik naar de zes exemplaren rond de eettafel. ‘En boven?’ drong hij aan, maar met een glimlach. ‘Laat maar zitten … het zal wel door mijn verhuizing komen dat ik zo met meubilair bezig ben!’

Later die avond, hij was al lang en breed vertrokken, borrelde zijn vraag weer naar boven en liep ik tóch nog even door het huis om te tellen … zestien stuks … best veel … nooit bij stilgestaan! Hoe dan ook, de toon was gezet en H.’s vraag nam obsessieve vormen aan. In de dagen erna zag ik eindeloze aantallen stoelen, banken, in de meest uiteenlopende vormen. De volgende stap was onvermijdelijk: een kwantitatief onderzoek naar het fenomeen stoel. Proefopzet: een dag lang niet zitten en tegelijkertijd het aantal stoelen tellen dat je tegenkomt. Het was nog even wachten op een geschikt moment, maar dat diende zich al snel aan in de vorm van een oningevulde zaterdag met stralend weer.

Aan de slag!

Staand ontbijten: prima te doen. Direct merk je een positieve uitwerking van het niet-zitten: je wint tijd. Je besteedt geen onnodige aandacht aan het mooi dekken van de tafel, eitjes koken, sinaasappels uitpersen – dat soort dingen. Lekker tempo maken! Ik pak het handtellertje, zet het op nul en besluit het spannend voor mezelf te houden door pas na afloop van het project naar het totale aantal geregistreerde stoelen te kijken. Buiten kijk ik met enig dedain naar de auto’s in mijn straat … feitelijk zijn dat rijdende stoelen. Ik twijfel nog even over mijn fiets … nee, ook die laat ik staan … een fiets is niets anders dan een mobiel zadel, en op een zadel zít je. Punt. Uit. Kortom, alleen lopen blijft als vervoersoptie over … en zo kuier ik de straat uit, richting het centrum van Haarlem. Waar mijn tocht precies heengaat, weet ik niet. Ik geef ruim baan aan mijn intuïtie en sla vrij willekeurig linksaf, rechtsaf … zo merk je nóg een positief aspect van het niet-zitten: je doorbreekt vastgeroeste patronen en leeft meer in het hier en nu. En met diezelfde intuïtie besluit ik in de toevallig naast me stoppende Connexxion-bus te stappen.

Er zijn welgeteld drie passagiers. Logisch, het is weekend en nog redelijk vroeg in de ochtend. Ik tuur naar buiten, met mijn duim in de aanslag op het tellertje. We rijden langs stadspark de Haarlemmerhout … overal staan bankjes … dat tikt meteen flink aan! Maar gaandeweg rijst de vraag of ik al die bankjes in de verte wel moet turven. Ik ga er immers niet op zitten. Daarom besluit ik het perspectief van mijn onderzoek te vernauwen en niet langer te spreken over ‘stoelen’ maar over ‘potentieel bereikbare stoelen’. Trouwens, ‘stoel’ is eigenlijk geen goed woord, gezien de grote variatie aan vormen. Beter is te spreken over ‘zitplaats’.

Bijna vergeet ik de zitplaatsen in de bus te tellen. En omdat die passen binnen de nieuwe definitie, ratelt mijn tellertje … maar toch doemt weer een volgend definiëringsvraagstuk op … wat te doen met de zitplaatsen van mijn medepassagiers? Ik besluit ze niet mee te tellen – ik kan moeilijk op hun schoot gaan zitten – en herdefinieer verder tot ‘potentieel bereikbare, niet-bezette zitplaatsen’. Vanwege de lengte van de definitie ligt een afkorting voor de hand: PBNZ. Maar hier laat ik het bij … je kunt wel aan de gang blijven … en zo groeit een zonnige, onbekommerde zaterdag al snel uit tot een hersenbrekend vraagstuk. Het blijkt maar weer hoe lastig het is om betrouwbaar kwantitatief onderzoek te doen. Daarom een waarschuwing: wantrouw de rekenmeesters! Ze komen weliswaar objectief en betrouwbaar over, met hun getallen en statistieken, maar voor je het weet venten ze niet-geëxpliciteerde aannames uit en dringen ze een gekleurde werkelijkheid aan je op.

Maar dat terzijde.

Ik stap mijn favoriete koffietentje binnen en bestel een cappuccino, staand uiteraard. Gelukkig is er een barretje waar ik nonchalant tegenaan kan leunen. Ik pak de ochtendkrant, maar lees alleen de koppen … ja … lezen doe je toch vooral zittend. Een beetje jaloers kijk ik naar twee vrouwen die, pontificaal zittend, koffie drinken en taart met slagroom eten … dat is zeker een nadeel van niet-zitten … het is een nogal solistische, ongezellige bezigheid … maar niet getreurd … ik tel het aantal PNBZ’s in het café en blader wat door de zaterdagbijlage van een krant … een reportage over een huisinterieur … de bewoner beweert dat ‘zo’n beetje alles van IKEA komt’ … en ineens staat me helder voor ogen wat de volgende etappe van mijn project wordt … IKEA Haarlem … geniaal idee … als je ergens zicht kunt krijgen op het PBNZ-concept, dan is het daar wel!

En zo doorkruis ik de stad van west naar oost en beland in het industriegebied Waarderpolder. Dat had ik bij vertrek niet kunnen bevroeden … waar zal dit project eindigen? Daar is de grote draaideur … ik sta binnen … en dan … tja … dan ben je in IKEA … want IKEA is IKEA, waar ter wereld je ook bent … ik grijp naar het tellertje in mijn jaszak want direct in de ontvangsthal wemelt het van de PBNZ’s. Ik negeer het restaurant met al zijn zitmogelijkheden en doorkruis de zalen met bedden … ook daar blijken, onverwacht, toch aardig wat stoelen te staan …

En dan ben ik er, op de afdeling stoelen, of, in het licht van onderhavig onderzoek: de afdeling PBNZ. De aanblik is overdonderend. Eerst tel ik nog exact, maar al snel schattend, het is anders niet te doen … ja, waarom noemen we onszelf eigenlijk Homo sapiens, de wetende mens? Misschien is het beter te spreken van de zittende mens, de Homo sessilis … wat je allemaal tegenkomt … één PBNZ ziet er ronduit dreigend uit … het gaat om de PS VÅGÖ … een hagelwitte tuinstoel gemaakt van barstvrij, UV-gestabiliseerd kunststof … een ander exemplaar, gemaakt van bananenbladeren, ziet er juist weer heel ambachtelijk en zen uit … en dan, halverwege de afdeling, sta ik oog in oog met een ingenieus testapparaat dat eindeloos dezelfde drukbeweging uitvoert op een stoel … een display geeft het aantal keren weer … indrukwekkend … ruim twee miljoen keer … wat een slim bedrijf is IKEA … geniale dompteur van de zwaartekracht …

Even volgt er relatieve rust op de andere afdelingen, maar vlakbij de uitgang gapen de huizenhoge magazijnstellingen me aan … maar ik tel niet meer … en sta buiten, murwgebeukt … voorlopig even geen IKEA meer op mijn bordje … intuïtief loop ik weg van het woonwarenhuis, in de richting van Halfweg, langs de spoorlijn naar Amsterdam … eindelijk een PBNZ-vrij gebied … ik zet de pas erin … ja … ontzitten … desessiliseren … dat zou een mooi nieuw werkwoord kunnen zijn …

Ik loop Halfweg in. Bijna zes uur ben ik onderweg en merk het aan mijn rug. Mijn dorstig oog valt op een groot etablissement: Cafetaria Lunchroom Sandwich City. Ik loop naar binnen. Het is er gierend leeg, ik ben de enige klant. Tientallen PBNZ’s gapen me hongerig aan. Om het zitten nog wat uit te stellen, doe ik mijn bestelling aan de kassa. De vrouw kijkt me onderzoekend aan … ik blijf zo lang mogelijk staan, maar al snel komt ze aanlopen … ik wil haar niet in verlegenheid brengen en zijg neer achter een tafeltje … oeff … wat kan zitten lekker zijn … rozig onderuitgezakt pak ik het tellertje en lees het eindresultaat, wetende dat het om een fractie gaat van het daadwerkelijke aantal eetkamerstoelen, bureaustoelen, tuinstoelen, kinderstoelen, schommelstoelen, krukjes, banken … 2341 …

Tijd

Een meedogenloos dier was het. Een bloeddorstige rover. Primitief. Uit zijn krachten gegroeid. Zo denkt men vaak over deze dinosauriër, de Tyrannosaurus rex, bij een breed publiek populair geworden door de film Jurassic Park. En nu is er dan dat schitterende exemplaar in museum Naturalis.

Op naar Leiden!

Het begin van de tentoonstelling is een beetje een tegenvaller. Zalen met mechanisch bewegende modellen van dinosauriërs op ware grootte, zogenaamd levensecht. Knap gedaan allemaal, maar zielloos. De bezoekers lijken niet onder de indruk. Ontspannen nemen ze foto’s, met de giganten als achtergronddecor. Vooral selfies zijn populair, er is zelfs iemand stuntelig in de weer met een selfiestick.

Gelukkig nadert het Ultieme Skelet, opgegraven in Montana, Verenigde Staten. Lichtgespannen wacht ik nog even, voordat ik de hoek omga, de Grote Zaal in. Daar maak ik eerst omtrekkende bewegingen, en ontwijk het fossiel. Met een wezen van dit kaliber moet je immers niet te hard van stapel lopen. Het is stil in de ruimte, maar toch blijk ik niet alleen te zijn. In de luwte van de zaal zitten twee mannen op een bankje, met hun ruggen afgewend van de Tyrannosaurus. Ze praten gedempt, met naar elkaar toegebogen hoofden, alsof ze een complot smeden. Maar ik negeer de geheimzinnige sfeer, want de Tyranno, of laat ik haar Tyranna noemen, het gaat immers om een vrouwtje, brult om aandacht.

Met gebogen hoofd stap ik naar voren en stop op een paar meter afstand van de massieve schedel. Ik richt mijn blik en sta oog in oog met dit compromisloze wezen … het eerste woord dat in me opkomt is ‘tijd’ … ja, meisje, oud ben je … 67 miljoen jaar … en ik begin te lopen, langs dertien meter fossiel, dorstig naar details, vormen, structuren … ik zie de korte S-vormige nek, de horizontale rug en de lange staart als contragewicht … de schedel is breed, vooral aan de achterkant, waar de volumineuze spieren aan vastzaten, om te kunnen bijten, rukken, scheuren … en dan die tanden … dolken zijn het, een centimetertje of dertig lang … waarschijnlijk kon Tyranna botten in één keer doorbijten … maar of ze een volbloed jager was, blijft de vraag … ze kon snel lopen, maar, vanwege de duizenden kilo’s lichaamsgewicht, niet rennen … het jagen vanuit hinderlagen was, om dezelfde reden, ook lastig … probeer je met zo’n lijf maar eens te verbergen … de waarheid ligt waarschijnlijk in het midden … misschien was Tyranna een opportunist, een rover, maar tegelijk niet vies van aas …

En zo tuimel je van de ene vraag in de andere. Want welk dieren zou ze het liefst gegeten hebben? Dit moet zo’n beetje haar menukaart zijn geweest:

Populair was waarschijnlijk de Ankylosaurus, op de afbeelding staat die halfverborgen achter de Tyrannosaurus. Een planteneter, maar desondanks geen gemakkelijke prooi. Het dier had een dik pantser van platte botten en een krachtige staartknots waarmee ze venijnig uit kon halen. Een andere lekkernij was de Triceratops, uiterst rechts op de foto. Dat was ook geen gemakkelijke prooi, want hij was beweeglijker dan de Tyrannosaurus en kon zich verweren met de kophoorns. Je ziet de evolutionaire wapenwedloop van deze dieren voor je. De Tyrannosaurus zette in op groter en sterker, op pure kracht, op gigantisme. De Ankylosaurus koos de strategie van de verdediging, door te evolueren tot een tank op poten. De Triceratops specialiseerde zich in dolkstoten en snelheid. Deze dino’s hebben elkaar door de tijd heen opgefokt in hun tegengestelde eigenschappen … zo werkt evolutionair karma …

Even een adempauze. Ik neem plaats op het bankje naast de twee mannen, type fitte pensionado’s. Ze zien er gesoigneerd uit, de ene met een kale schedel en snorbaard, die aan Freud doen denken, de ander met warrig-wit haar à la Einstein. Ze neigen naar elkaar terwijl hun ruggen lichtjes heen en weer wiegen … ik spits mijn oren … ze zijn maar nét te verstaan … ze praten atypisch … ritmisch … en dan dringt het tot me door dat ze dichtregels reciteren!
Einstein neemt het woord: ‘Deze is van Vasalis …’
Niet te geloven … mijn favoriete dichteres!
‘Eb …’ zo declameert hij op zachte, gedragen toon. ‘Ik trek mij terug en wacht … dit is de tijd die niet verloren gaat … iedere minuut zet zich in toekomst om … ik ben een oceaan van wachten … waterdun omhuld door het ogenblik …’
Vloeiend en vanzelfsprekend vult Freud hem aan, alsof het afgesproken werk is: ‘Nee … er is geen tijd … of is er niets dan tijd?’
Einstein kijkt me eventjes aan. Ik voel me betrapt, glimlach verontschuldigend en sta op, verlegen om mijn voyeurisme.

Volgende ronde. Ik stop bij de achterpoten … onvoorstelbaar … de heupkop reikt tot zo’n vier meter hoogte … waarschijnlijk kon de poot niet zijwaarts bewegen … letterlijk was ze gericht op voortbewegen … en dan die tenen … als je bedenkt dat mevrouw zo’n 5000 kilo schoon aan de haak heeft gewogen, en als je dat gewicht verdeelt over drie tenen per poot, dan is dat per teen … even rekenen … een slordige 1700 kilo … en dan, als een geniale tegenstelling met die reuzenpoten, zijn daar de voorpoten … daar is alles juist klein, onbeholpen ogend … niet langer dan een mensenarm zijn ze en de handpalm bevat slechts twee, naar elkaar wijzende vingers … onbruikbaar om voedsel mee naar de bek te brengen … misschien hebben ze een rol gespeeld bij het opstaan vanuit ligstand of zijn ze evolutionaire rudimenten van een ooit volledig vierpotig stadium.

Ik keer terug naar mijn bankje. De mannen naast me zijn nog steeds onverstoorbaar verdiept in hun wonderlijke dialoog. Nu is het Freud die begint: ‘Ook deze is van Vasalis … ik droomde dat ik langzaam leefde … langzamer dan de oudste steen.’ Hij spreekt plechtig, met iets opgeheven kin. ‘Ik zag de drang waarmee bomen zich uit de aarde wrongen … terwijl ze hees en hortend zongen ….’ Even is er een kleine hapering, maar hij herpakt zich. ‘Ik zag de tremor van de zee … het zwellen en haastig slinken … zoals een grote keel kan drinken.’

En dan is het voorbij. Zwijgend staan ze op en verlaten de zaal, zonder nog naar Tyranna te kijken. Ik ben alleen, samen met die oude vrouw. Van de weeromstuit schiet één van de weinige dichtregels die ik uit het hoofd ken, me te binnen. Ida Gerhardt: ‘Zeven maal om de aarde gaan … als het zou moeten op handen en voeten … zevenmaal om die ene te begroeten.’

Zo gezegd, zo gedaan … ik loop om Tyranna heen … één rondje … twee … drie … als in een film passeren weer al die duizelingwekkende details waar zich nieuwe bijvoegen … de grote, naar voren gerichte oogkassen die op dieptezien duiden … de forse neusgaten … de nekribben … de elegante, golvende rij staartwervels … de binnenkant van de borstkas die oogt als abstracte kunst …

Vierde rondje. Ik probeer me een voorstelling te maken van de wereld buiten deze zaal, maar de beelden verdampen.

Vijfde.

Zesde.

Zevende rondje … nee … dat stereotype beeld van de Tyrannosaurus klopt niet. Ze is niet die wrede, logge, domme sauriër die de meteorietinslag aan het einde van het Krijt niet wist te overleven. Bijna 200 miljoen jaar lang leefden dinosauriërs, in een enorme diversiteit. Hun uitsterven schiep ruimte voor de ontwikkeling van de zoogdieren … en daarmee ook voor de Homo sapiens, die pas een luttele 125 000 jaar op aarde rondloopt … een laatste keer kijk ik naar dat prachtige skelet, die gestolde evolutionaire vormkracht en verlaat met de hoed in de hand de zaal.

Amsterdam. De Zuidas. Hoge gebouwen van beton, staal, glas. Internationaal zakencentrum op de duurste grond van Nederland. Banken zijn er gevestigd, advocaten, notarissen, fiscalisten, een waaier aan bedrijfjes in het World Trade Center, duizenden brievenbusfirma’s en, aan de rand van het gebied, de Vrije Universiteit en het VU medisch centrum. Als een hongerige amoebe verslindt het ene na het andere bouwproject de laatste restjes onbebouwde grond.

Regelmatig kom ik er, op weg naar mijn forenzenbus. Al lange tijd probeer ik vat te krijgen op dit fascinerende gebied, op de sfeer, de mensen die er werken, de gebouwen. Maar zonder veel resultaat. Op de Zuidas beweeg ik richtingloos, als een kompasnaald op de Noordpool en kom er zelden tot échte stilstand. Landschapsarchitecten kennen dit verschijnsel en spreken bij plekken die ‘goed voelen’ over de aanwezigheid van een ‘genius loci’, een ‘lokale geest’. Die uit zich in subtiele tekens, zoals de vormen van het landschap, het karakter van de bodem, de aanwezigheid van markante bomen, de loop van het water, wegkruizen, de verhalen die mensen vertellen … toch moet ook op de Zuidas een genius loci te vinden zijn … de afgelopen weken dwaalde ik door het gebied, liep om de gebouwen heen, nam liften naar de bovenste etage of daalde af in parkeergarages en fietsenkelders … maar de genius loci openbaarde zich niet. Uiteindelijk resteert dan die ultieme strategie: denk de bebouwing weg en ga terug naar de tijd waarin het landschap nog niet door de mens is aangeraakt.

Het gebied waar de Zuidas ligt is ontstaan in het geologische tijdvak met de naam Saalien (200000 tot 130000 jaar geleden). Toen bereikte het Scandinavische landijs ook Nederland (grofweg tot de lijn Haarlem-Nijmegen). Eén van de gletsjerlobben eindigde waar nu de Zuidas ligt. In de periode van opwarming na de ijstijd bleef een bekken achter, omringd door ijsstuwwallen en, naar de kust toe, strandwallen. Dat bekken, met slecht doorlaatbare bodem, vulde zich met smeltwater. Daarbinnen ontstond een moeras waarin zich veen vormde. Eeuwenlang lag dat daar totdat de mens zich in het gebied vestigde en, vanaf de middeleeuwen, het veen ging afgraven, om er turf uit te winnen. Vanuit het huidige Amstelveen werd naar het noorden toe, in de richting van Amsterdam, vanaf een lint (de huidige Amstelveenseweg) het veen afgegraven in oostelijke richting, tot aan de rivier de Amstel. De turfwinning vond plaats tot op een diepte van vier meter. Daardoor liep het gebied vol met water, behalve daar waar men niet afgroef, op de zogenaamde loopvelden. Sommige van die loopvelden zijn nu nog herkenbaar, en omgevormd tot wegen, zoals de Kalfjeslaan. Uiteindelijk werd het gebied drooggemalen en ingepolderd, met een laaggelegen veenweidegebied als resultaat. Als je kijkt naar het stratenpatroon van de Zuidas, inclusief de ringweg A10, die er doorheen priemt, dan zie je er nog steeds de westoost-oriëntatie van de veenafgravingen in terug. Aanvullende informatie leverde de volgende oude topografische kaart, uit 1909.

Het hiervoor beschreven patroon is goed op de kaart te zien: helemaal onderaan, roodgekleurd, west-oost lopend, ligt de Kalfjeslaan (’t kleine Loopveld). Links de Amstelveenseweg, eveneens in rood, van zuid naar noord, richting Amsterdam. Helemaal rechts zie je de meanders van de Amstel. De zuidgrens van de Zuidas bevindt zich, grofweg, op 1/4e deel vanaf de bovenkant van de kaart. Het fraaie van de kaart is dat er de namen op staan van (niet meer bestaande) boerderijen langs de Amstelveenseweg. Met die namen als uitgangspunt loop ik op een mooie namiddag over de Amstelveenseweg, vanaf de kruising met de Kalfjeslaan, in de richting van de Zuidas.

Zomers zonnetje. Briesje. Ik kijk op de print van bovenstaande kaart en val terug in de tijd, naar het jaar 1909. In de verte zie ik het silhouet van Amsterdam. Meteen de eerste boerderij aan mijn rechterhand draagt een fraaie naam … Nooit Volmaakt.

De volgende boerderij … Bouwlust.

Reigersdaal.

Denkt Over U Zelven …

De Klap.

Buiten Verwachting … een verbeelding tartende naam die is als het begin van een verhaal … wat moet dat heerlijk zijn geweest, in die tijd, lopen over de Amstelveenseweg, met al die prachtige namen die langs je heenschuiven … er moeten daar diepe gesprekken zijn gevoerd, over verleden, heden, toekomst, over het leven … het lijkt wel of met elke naam van een boerderij een genius loci is verbonden …

Werklust.

Leeuwenburg.

Veldlust.

Zorgmeer.

Het is niet anders.

Werk en Rust.

Huis te Velde.

Dan een boerderij met een confronterende naam … Ken U Zelve … ik kan het niet nalaten en loop het erf op. Er lijkt niemand thuis te zijn … hoewel … voor de deur ligt een slapende hond. Een mooi beestje is het, jong, met een glanzende, zwart-witte vacht. Hij ligt er heel vredig bij. Vertederd loop ik naar hem toe en aai zijn kop … dat had ik niet moeten doen … hij schrikt en bijt vanuit een reflex in mijn hand. Ik vlucht het terrein af. Dat blijkt onnodig te zijn want, bij de weg aangekomen, zie ik dat hij zijn kop alweer heeft neergelegd … nee … maak nooit slapende honden wakker …

Amstelland.

En dan weer zo’n verleidelijke naam: Zelden Rust … ik tuur naar de boerderij, voorzichtiger nu … nee … geen slapende hond … ook deze boerderij ziet er uitgestorven uit … en ik waag het erop … snel loop ik het erf over en passeer de woning, waar zich een panorama ontvouwt dat de hondenbeet doet vergeten … veenweiden tot aan de horizon. Lichtspiegelingen in de buurt van de Amstel. Bloemkoolwolken. Hollands Landschap. Hollands Licht. Maar ver kom ik niet. Hekjes. Slootjes. Ik loop terug naar de Amstelveenseweg en spring naar het jaar 2016. Het verkeer ronkt, stinkt en toetert, zowel op de Amstelveenseweg als op de A10, die hier via brede betonnen viaducten de weg kruist. Een traumahelikopter landt op het dak van het ziekenhuis. Vliegtuigen dalen richting Schiphol. Het kan geen toeval zijn: op de plek waar ooit Zelden Rust stond, is ook in 2016 zelden rust.

Ongeveer op de plaats van de boerderij staat nu een gebouw van het VU medisch centrum. En weer loop ik erlangs, 107 jaar later, maar nu naar de skyline van de Zuidas. Het heet hier de Gustav Mahlerlaan, veel straten op de Zuidas zijn naar componisten vernoemd. Langs de hoogbouw van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, de laatste resten van een schooltuinencomplex, een paar voetbalvelden met kunstgras en een bouwput waar 14000 vierkante meter kantoor moet gaan verrijzen, kom ik aan bij de Buitenveldertselaan. Daar stoot ik op iets onverwachts, bijna loop ik eraan voorbij. In een omheind gebied, vol met bomen, is de bodem grillig, op niet-machinale wijze omgewoeld. Een informatiebord maakt duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk zijn … varkens. Het blijkt te gaan om een dependance van de Stichting Familie Bofkont die (vooral) varkens opvangt. Op dit terrein leven twee fokzeugen en drie vleesvarkens, bevrijd uit de bio-industrie, samen met vier zwarte minivarkens. Ze zijn er volledig eigen baas, kortom, echte bofkonten. Uiteindelijk zie ik één van de zwarte varkens, die nieuwsgierig naar het hek waggelt en zich op zijn hardharige rug laat kloppen. Ik kijk naar het chaotische, schaduwrijke gebied dat hevig contrasteert met de efficiënte uitstraling van de megalomane Zuidas … dit is een geniale, absurdistische zet van Bofkont!

Aan de overkant van de Buitenveldertselaan kom in het deel van de Zuidas dat volop in bedrijf is. Ook hier straatnamen van componisten, die ik niet kan relateren aan het straatbeeld. Ik loop de Claude Debussylaan in, passeer de Benjamin Brittenstraat en ga bij de kruising met de Aaron Coplandstraat zitten op een betonnen rand. Ik kijk om me heen … en in een schok dringt het tot me door dat ik zít … niet beweeg … dat mijn kompasnaald stilstaat! Zou ik dan toch een genius loci op het spoor zijn? Ik speur naar tekens in de omgeving. De betonnen rand waarop ik zit blijkt onderdeel te zijn van een cirkelvormige zitbank rondom een boom … het is een Ceder … ontroerend dat hier, in de schaduw van al die hoogbouw, een boom is geplant …

Meer details dringen zich op: armetierige boompjes die, in tegenstelling tot mijn blakende Ceder, in bakken wortelen. Dan valt mijn oog op een groepje rokende mannen aan de overkant van de straat … zes in totaal, allemaal keurig in het pak … ze staan op gepaste afstand van elkaar en buigen zich over hun smartphones … ik steek over, ga ertussen staan en pak ook mijn telefoon, om te doen alsof ik erbij hoor. Mijn hoop is dat ze iets gaan zeggen, of een telefoongesprek voeren, maar dat gebeurt niet. Hup … daar gaat de eerste sigarettenpeuk, zomaar op de grond. Hup, de tweede. Irritatie golft in me omhoog. Hup, de derde … het liefst zou ik er iets van willen zeggen, maar zie dan iets bijzonders … ze blijken hun peuken niet op straat te gooien, maar in, of net naast, een bijzondere constructie met een naam die ik nog niet kende … een asbaktegel …

image

Ik nestel me weer onder de Ceder en surf op mijn smartphone naar de website van de fabrikant: ‘De Asbaktegel is gemaakt van metaal en wordt verzonken in de straat en kan niet worden vernield, dit in tegenstelling tot hangende asbakken of rookpalen.’ Er is een serie modellen, van type ‘junior’, via type ‘basis’ tot aan het topmodel ‘comfort XXL’. Het plaatsen is eenvoudig en de ‘geperforeerde binnenbak zorgt voor een goede afwatering.’ Wat je allemaal tegen kunt komen op het land achter Zelden Rust!

Inmiddels, aan de overkant, zijn er veel wisselingen bij de rokersgroep, een filtersigaret is immers zó op en je moet snel weer achter je computer. Er staan nu ook twee vrouwen, gekleed in bijna identieke mantelpakjes, ook zij turen gespannen naar hun schermpjes. Als je door de trivialiteit van de plek heenkijkt dringt zich een hallucinerende sfeer op … de zichtbare, gehaaste stress die via de peuken in de bodem verdwijnt en dan, aan mijn kant van de straat, de rustgevende Ceder die manmoedig de sfeer probeert te neutraliseren … zou zich hier een genius loci naar de oppervlakte willen wurmen? En je vraagt je af wat hier ooit, op precies deze plek, gebeurde op het land achter Zelden Rust …

Ik loop verder. Mijn tocht over de Zuidas loopt definitief dood op het massieve hoofdkantoor van ABN-AMRO. Ik kijk terug in de richting van de Amstelveenseweg en overzie mijn tocht over het veenweidegebied. Hoog torent de Zuidas in de lucht, maar de eigenlijke bodem is verborgen. Slechts twee wezens heb ik ontmoet die hier wél met de bodem verbonden zijn: het varken van Bofkont en mijn Ceder …

N.B. Inmiddels (maart 2017) is het varkensterrein van Bofkont ontruimd: de Zuidas breidt verder uit …

We worden dommer


We zaten met een mannetje of zeven aan tafel. De tweede fles wijn raakte al aardig leeg. Het gesprek kwam op tuinieren. Iemand zei iets over een plant: ‘Ach ja … hoe heet ie toch ook weer … hij heeft van die mooie paarse bloemen …’.
De kring probeerde hulp te bieden en raadde mee, maar de naam kwam niet boven water.
‘Misschien moeten we even googelen?’ stelde een reddende engel voor. Maar niemand ondernam actie, ondanks de drie smartphones die op tafel lagen.
‘Eerst nog maar even een glaasje wijn?’ zei de gastvrouw, waarna de avond verder genoeglijk voortgleed … alleen … dat plantje-met-die-paarse-bloemen bleef een zwart gat … maar ach, wat maakt het uit … waarom zou je al die moeite ook doen … alles staat toch op internet?

De ochtend erna zat ik in een volle forenzenbus en keek om me heen. Bijna iedereen tuurde zwijgend en voorovergebogen naar de verlichte schermpjes in hun handen. En ik dacht, lichtelijk cultuurpessimistisch: Hoe moet dat nou, als de stroom langdurig uitvalt en we onze batterijen niet meer kunnen opladen? Wat gebeurt er dán, als je aan een licht-benevelde tafel zit en iemand naar de naam van een paars plantje vraagt? Ja … ik zou het aan Maurice de Hond willen vragen, die protagonist van het moderne leren, goeroe van de iPad- of Steve Jobsscholen … weet je nog, Maurice, toen, met die millenniumwisseling, dat je ons waarschuwde voor de gevaren van op hol slaande computersystemen? Op jouw advies heb ik op de valreep, oudejaarsavond van 1999, het bad nog vol laten lopen, want het was niet uitgesloten dat ook de drinkwaterbedrijven plat zouden gaan …

Inderdaad, dat internet is magistraal, maar evengoed gekmakend en verwarrend. Laatst kwam ik daar weer eens achter. Ik daalde af in de kelder van de ingenieuze software waarop deze website draait, WordPress. Daar kun je vinden wat de statistieken van je site zijn, hoeveel mensen je bezoeken en door welke zoekwoorden ze bij je terecht zijn gekomen. Voor iedereen met een eigen website een advies: laat die kelderdeur dicht! Want wat bleek? Het meest gelezen verhaal van deze website is een niemendalletje, zó onbenullig van inhoud dat ik eerst nog twijfelde of ik het erop zou zetten. Het gaat over het wel en (vooral) wee van een nieuw aangeschaft apparaat, een melkopschuimer. Kortom: over niets. De lijst van ingetikte zoekwoorden van het verhaal is zowel hilarisch als deprimerend:

melkopschuimer
melk opschuimer
beste melkopschuimer
goede melkopschuimer
hand melkopschuimer
opschuimertje
opschuimer
plastic melkopschuimer
melkschuimer
melkopschuimer de
de melkopschuimer
melkopschuimer hand
hand opschuimer
melkklopper
melkklopper elektrisch
elektrische melkopschuimer
melkopschuimer elektrisch
melkopschuimer met de hand

En dit is nog maar een selectie, bovendien heb ik de zoekwoorden met gênante spelfouten weggelaten. Het meest dramatische zoekzinnetje wil ik echter niet achterwege laten: ‘Waarom schuimt mijn tomado tm6107 niet meer op?’ Zo dwalen we over het internet op zoek naar informatie over wegwerpapparaten die ruim binnen de garantietermijn sneuvelen, en ander Groot Leed. Exact hoeven we daarbij niet te zijn, want Google corrigeert je immers, of vult je aan. Iets goed kunnen spellen of uit je hoofd leren is ouderwets, want tegenwoordig werken we met onze 21st century skills! Ik citeer dezelfde Maurice de Hond in een artikel van 29 januari jongstleden in de Volkskrant: ‘Door Google en Wikipedia, smartphones en sociale media heb je waar ook ter wereld altijd de beschikking over alle informatie in de wereld. Dit leidt tot een compleet andere wereld dan de wereld waarin de mensen boven de veertig jaar zijn opgegroeid.’

En dan zie ik dat volgelopen oudejaarsbad weer voor me …

Kort na de avond met dat zwartegatplantje dwaal ik door het Haarlemse Frans Hals Museum, terwijl de woorden van De Hond nog een beetje op de achtergrond doorkabbelen … ik houd stil bij een groepsportret van Johannes Verspronck: De Regentessen van het Sint-Elisabeths Gasthuis (1641; zie foto boven). Kijk eens goed naar de blikken van die vrouwen. Indrukwekkend! Hun hele uitstraling, lichaamstaal, alles straalt autonomie en authenticiteit uit. Pas in tweede instantie zie je wat er vóór hen op tafel ligt …

… een lei met een krijtje erop … een potje inkt … een lakzegel … twee vogelveren, waarvan eentje, met inkt aan de punt, over de rand van het tafelkleed ligt … scheelt weer vlekken! Al die attributen zijn nuttige gebruiksvoorwerpen, maar niet meer dan dat. De eigenlijke actoren van het tafereel zijn de vrouwen zelf. En je vraagt je af hoe Verspronck, anno 2016, een groepsportret van óns zou maken. Misschien zou hij ons afbeelden als voorovergebogen, geïmmobiliseerde zwarte gaten, als naamloze plantjes-met-paarse-bloemen …

Een paar dagen later loop ik de Amsterdamse Apple Store binnen, gevestigd in het fraaie Hirschgebouw op het Leidseplein. Wat een heerlijkheid om daar te vertoeven! Al die prachtige, fraai vormgegeven, door en door slimme apparaten in één ruimte bij elkaar. In een enkele oogopslag zie je de complete, hoogbegaafde familie Apple voor je. Het mooiste in de winkel is misschien wel de glazen wenteltrap. Een echt kunststuk.

IMG_2520

Het lijkt of je bij Apple deelgenoot bent van een andere, betere wereld. Nee, het is niet een ruimte waar je naar binnengaat in je kluskleren met verfspatten erop, of met je modderschoenen nadat je de tuin hebt omgespit. Het is een schone, heldere wereld van wit licht en glas. De boodschap is: wij van Apple zijn transparant, wij leggen maagdelijke sneeuw over de geschonden aarde. We beloven het paradijs, het schone schip, het onbeschreven blad … tabula rasa.

Misschien is het dat wat Maurice de Hond met zijn Steve Jobsscholen wil. Weg met dat ouderwetse papier, de lekkende pennen, het stoffige bordkrijt, de vieze sponzen. Laten we in het onderwijs een oase creëren, scholen met glazen trappen die tot aan de hemel spiraliseren! In serene rust zijn de zelfsturende leerlingen met hun iPads in de weer. Toezicht is niet langer nodig. Geen gestreste docenten die met klotsende oksels tegen krijsende klassen schreeuwen. De moderne leraar is coach, procesbegeleider en staat niet frontaal tegenover, maar náást de zelfverantwoordelijke leerling. Via apps controleert hij wat de vorderingen zijn en hoe die zich verhouden tot de groep of algemeen geformuleerde standaarden en eindtermen. Het is het concept van de teacher independent education, in een nieuw jasje. Het achterliggende idee is: mensen zijn feilbaar, systemen niet. En nóg verder daarachter sluimert een neoliberaal mensbeeld waarin de mens, net als de anorganische natuur, meetbaar, weegbaar en voorspelbaar is.

Maar zijn al deze ontwikkelingen wel zo nieuw? Leven we wel in die ‘compleet nieuwe wereld’ van De Hond? Gaat het niet eerder om oude wijn in ronkende, fraaie nieuwe zakken? Laten we even paar stappen terug in de tijd zetten, naar 1926. Theo Thijssen, onderwijzer met vaardige en luchtige pen, schrijft zijn prachtige boek over het onderwijs, De gelukkige klas. Wat blijkt? Ook toen al leefde, in embryonale vorm, het adagium van ‘meten is weten’. Op een dag krijgt Thijssen de inspecteur in de klas. Die komt een nieuw kwaliteitssysteem controleren. Houden de leraren zich daar wel aan? Hebben ze het goed ingevuld? In het systeem, dat de naam ‘klassenregister’ draagt, moet de onderwijzer nauwgezet aangeven wat de vorderingen van de leerlingen zijn, aan de hand van helder omschreven criteria. Maar Thijssen vult het register slordig in. Zo noteert hij ook de resultaten van fictieve lessen en dateert die tot overmaat van ramp in de kerstvakantie. Hij komt daar pas achter als hij meekijkt met de inspecteur. Maar, wonder boven wonder, ziet die de fouten over het hoofd. Thijssen krijgt zelfs een compliment: ‘Buitengewoon consciëntieus bijgehouden.’ Uiteindelijk eindigt hij zijn boek, sprekend tegen zijn klas, met de volgende, iconische woorden: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen.’

De woorden van Thijssen, bijna een eeuw oud, zijn nog steeds actueel. Ze geven aan dat het fundament van elke vorm van onderwijs de relatie is tussen leraar en leerling. Als die ontbreekt heeft geen enkele technologie, hoe slim en veelbelovend ook, meerwaarde. Uiteindelijk vormt de mens zélf de kwintessens. Iedereen weet dat uit eigen ervaring. Denk maar terug aan je eigen schooltijd. Wat zie je voor je? Grote kans dat het mensen zijn, medeleerlingen, klassen, leraren. Als ik terugdenk aan mijn lagereschooltijd dan zie ik de juf voor me, honderdvoudig. Een keer droeg ze me op het gedicht Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman uit het hoofd te leren. Nu nog voel ik de sensatie van het voordragen, de kwantumsprong die ik maakte in mijn zelfwaardering. En de juf, ja, ze zit er nog steeds, bij het raam. Ze glimlacht naar me, want ook zij ziet ‘breede rivieren traag door oneindig laagland gaan’. En achter haar zie ik het schoolplein, zinderend in de zomerzon en ook hoor ik die hond blaffen.

Natuurlijk is het allemaal niet zo zwart-wit. Uiteraard zal ICT in het onderwijs een steeds sterkere plek krijgen. Maar de spil blijven de mensen die er werken, met hun concrete gezichten, de modder aan hun schoenen, met hun onhebbelijkheden, humor, de meeslepende verhalen, hun verbeeldingskracht. Zeker, al die techniek maakt ons eindeloos slimmer. Maar laten we niet in de klassieke fout vervallen en het middel tot doel maken, tot pedagogisch ideaal, tot ideologie. Uiteindelijk zijn al die subtiele apparaten moderne varianten van de lei en het inktpotje van de regentessen van Verspronck. Zeker, we weten veel, met al die permanent beschikbare kennis in ‘de cloud’. Maar hoe wezenlijk is die ‘wolkwijsheid’ eigenlijk? Met evenveel recht kun je zeggen dat we tegelijkertijd dommer zijn geworden.

Emergentie

Half oktober. Zuid-Jutland, net buiten het stadje Ribe. Het loopt richting zonsondergang. Samen met een stuk of dertig Denen staan we verwachtingsvol aan de oever van de Ribe Å. Dikke jassen aan, dassen om, camera’s en verrekijkers in de aanslag. Een half uurtje wachten we … daar … het eerste groepje spreeuwen vliegt aan. Stap voor stap volgen andere groepjes, die versmelten met de eerder gearriveerde. Dat gaat door totdat een gigantische zwerm van, zo beweert iemand, 200.000 exemplaren is ontstaan. En dan, ineens, uit het niets, zonder duidelijke aanleiding, is er de eerste acrobatische beweging van de zwerm … allerlei vormen ontstaan … een bol … scheve pluim … sigaar … paddenstoel … golvende draden … ze accelereren, verdichten, vertragen … soms vallen vogels als zwarte klodders natte verf uit de zwerm om er schielijk weer in terug te keren en nooit, werkelijk nooit, botsen ze. En om dit alles nóg indrukwekkender te maken is er dat geluid, nee, niet dat snerpende gekrijs waar spreeuwen zo bekend om zijn … maar een laag, diep, zoevend geluid, een drukexplosie, ontstaan doordat ze massaal de vleugels wenden om synchroon van richting te veranderen.

De zon is bijna onder als de zwerm, even onverwacht, neerdaalt in de brede rietoever … nee … er lijkt geen centrale regie te zijn, geen leider die het voortouw neemt. De vogels verdwijnen definitief in de vegetatie en de kolonie barst uit in een oorverdovend lawaai. Zo gaat het elke dag, in voor- en najaar. In de ochtend herhaalt het tafereel zich spiegelbeeldig en zwermen de spreeuwen uit in alle windrichtingen, tot zo’n 50 kilometer afstand, meestal in kleine groepen.

De duisternis is gevallen en de toeschouwers druppelen weg, hun auto’s in. Wij fietsen terug naar onze overnachtingsplek in het prachtige Ribe en zwijgen, overdonderd als we zijn door het schouwspel. Voor het slapen gaan visualiseer ik die plastische, pulserende zwerm en hoor weer die exotische drukgolf … en val in slaap.

De volgende dag, lopend over de dijk van het piepkleine Waddeneiland Mandø, voor de kust van Ribe gelegen, met in de verte grote groepen ganzen, eenden en zwanen, ontstaan de eerste, schoorvoetende pogingen om vat te krijgen op het fenomeen van de avond ervoor. Ja, zo redeneer je dan onbeholpen, samen in zo’n zwerm ben je sterker dan alleen, beter beschermd tegen roofvogels. En misschien heb je het wel warmer, zo met z’n allen. Maar, zo argumenteert mijn rationele brein verder, de roofvogels van hún kant weten zo wel erg goed waar ze hun voedsel moeten halen … of misschien is het een sociaal gebeuren dat het groepsverband versterkt … of is het pure Spieltrieb … of …

De tweede avond worden we als vanzelf naar het schouwspel toegezogen. We zijn niet de enigen: een aantal mensen van de dag ervoor is er óók weer. En al begint het te regenen en is de wind hard en guur, het spektakel is even groots en raadselachtig.

’s Avonds struin ik het internet af, op zoek naar sluitende verklaringen. Er blijkt veel onderzoek te zijn gedaan naar zwermgedrag bij vogels. Er bestaan computermodellen waarin de gedragingen van de individuele dieren als algoritmen worden ingevoerd, waarna op het beeldscherm zwermachtige structuren ontstaan. Drie factoren zijn hierbij bepalend, zo lees ik. Ze worden met fraaie Engelse begrippen aangeduid en beginnen ook nog eens allemaal, de verbeelding prikkelend, met de letter a. Als spreeuw in een zwerm moet je aan avoidance doen: raak andere vogels niet aan. En let op je alignment: volg de gemiddelde richting van de zwerm. Tenslotte moet je letten op de attraction: vorm een deelzwerm met zeven tot acht vogels in je directe omgeving. Klinkt best wel logisch allemaal. Maar in het onderzoek zijn nog niet alle variabelen in beeld gebracht, zoals turbulentie, luchtdruk, wind, regen … het blijft dus nog even wachten op die Alomvattende Zwermtheorie … maar wat maakt het uit … die drie begrippen alleen al klinken als poëzie in de oren … ik neem ze mee de nacht in, als een soort mantra …

De derde dag, fietsend langs de verstilde, met trekvogels verzadigde Noordzeekust, praten we niet veel over de spreeuwen. Dat hoeft ook niet, want natuurlijk gaan we nóg een keer … en tegen zonsondergang staan we er weer. Het weer is nu wél mooi, er zijn plekken blauw in de lucht en er gloort avondrood. Meer nog dan op de vorige avonden hangt er verwachting in de groep … en daar zijn ze alweer … stap voor stap groeperen ze zich … de vliegpatronen zijn bij vlagen nog ingewikkelder en onvoorspelbaarder dan de dagen ervoor … en als vanzelf roep je ‘ah!’ en ‘oh!’ … iedereen doet dat trouwens … het lijkt wel of wij, exemplaren van de soort Homo sapiens, een dialoog voeren met de musici en balletdansers van de soort Sturnus vulgaris … en, tenslotte, na twee drukgolven verdwijnen ze weer in het riet en valt de nacht …

Tijdens het fietstochtje terug naar Ribe stel ik voor een nieuw werkwoord te formuleren, in een poging mijn overdosis verwondering en bewondering een beetje binnen de perken te houden … het heeft een exotische klank en een wat ongewisse spelling … uiteindelijk wordt het ‘ah-ohen’ … mooi woord trouwens voor in het Nationaal Dictee …

Ik ah-oh
Jij ah-oht
Hij ah-oht
Wij ah-ohen
Jullie ah-ohen
Zij ah-ohen.

Maar wat is eigenlijk de precieze betekenis van dit werkwoord? Tja, als je de ambitie hebt om in de Dikke Van Dale te komen, zul je precies moeten zijn … ah-ohen: het uitroepen van verbaasde kreetjes met open mond en uitgeschakeld rationeel brein. Een verwarrend werkwoord is het wel. Je bent immers niet meer in staat te tellen, te meten, te wegen. Je verliest je innerlijk houvast. Kijkend en luisterend naar zoiets als een spreeuwenzwerm ervaar je een groot aantal variabelen, die complex interacteren en simultaan optreden. Ineens blijkt 1 + 1 dan niet 2 te zijn, maar 3. De rationele mens in ons krijgt, ondanks al die ingenieuze computersimulaties, maar moeilijk vat op de kwantumsprong tussen het gedrag van de individuele spreeuw en dat van de zwerm. Biologen kennen dergelijke fenomenen maar al te goed en bezweren ze door er een mooi woord aan te geven: emergentie. Oog in oog met een emergent verschijnsel ga je vanzelf ah-ohen.

De laatste dag in Denemarken. De zonsondergang redden we niet, dan maar een zonsopgang … slechts een paar mensen zijn aanwezig … de spreeuwen verbergen zich nog in het riet … we zijn alert, want het kan zó gebeurd zijn … en inderdaad … daar gaan ze … ze erupteren uit het riet, als overkokende, zwarte melk … fraaie patronen toveren ze, maar niet zo langdurig als bij de zonsondergangen … en dan spat de zwerm centrifugaal uiteen, in alle denkbare richtingen … en het is het stil, oorverdovend stil …

Voor de laatste keer fietsen we terug naar Ribe. Ik merk dat mijn rationele brein weer aanfloept en nieuwe verklaringen zoekt … hou je in, denk ik, doorbreek de sfeer niet … blijf in het hier en nu … blijf ah-ohen … laaf je nog wat langer aan deze gesublimeerde schoonheid … accepteer dat de wereld groter is dan jezelf …

Onbekommerd

Jac. P. Thijsse

Iemand vertelde me over een wandeling: ‘Een rondje om het Naardermeer … prachtig … en zó dicht bij Amsterdam!’
‘En …?’ reageerde ik, met een kwinkslag. ‘Heb je de groeten gedaan aan Jac. P. Thijsse?’
Stilte. Openvallende mond. ‘Sjak-pee-teisse …?’
‘Ja … Jac. P. Thijsse … ken je die naam dan niet?’
‘Nee …’ klonk het, licht verontschuldigend.
Tja. En dan te bedenken dat Thijsse (1865-1945) het Naardermeer van de ondergang heeft gered. Amsterdam wilde er namelijk een vuilstortplaats van maken. Maar Thijsse trok aan de bel. In 1905 werd, ter redding van die ‘waardeloze plas’, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten opgericht. Met succes. Zo werd het Naardermeer het eerste beschermde natuurgebied van Nederland en startpunt voor de hedendaagse natuurbescherming. Maar Thijsse deed méér. Hij was onderwijzer, leraar, veldbioloog en schrijver van een groot aantal artikelen en boeken over de natuur, waarvan de Verkade-albums wel het meest bekend zijn. Door al die geschriften heeft hij in belangrijke mate bijgedragen aan de popularisering van ‘de natuur’ en een breed draagvlak gecreëerd voor de nationale natuurbescherming.

Een dag later toch maar even een mini-enquête gehouden. Aan welgeteld zeven, niet al te jonge mensen vroeg ik of ze Thijsse kenden. Werkelijk niemand wist van de hoed en de rand, één persoon wist wel te vertellen dat er ‘een tuin’ naar hem is vernoemd. En dan te bedenken dat het dit jaar een heus (gierend stil verlopend) Thijsse-jubileumjaar is: 150 jaar geleden werd hij geboren.

Ter compensatie van al die vergetelheid duik ik in mijn boekenkast, op zoek naar Thijsse. Nee, dat viertal boeken van zijn hand zal ik nooit wegdoen … ik trek mijn exemplaar van Omgang met planten uit de rij … alleen al de titel is genieten … lekker archaïsch … en een statement … planten zijn geen dingen, maar levende wezens waarmee je een relatie aan kan gaan, ‘omgang’ mee kan hebben. En als je dan gaat bladeren, blijf je bij Thijsse altijd ergens hangen, bij een dier, een plant, een landschap, een waarnemingsavontuur. Soepel schrijvend neemt hij je mee, in een exacte en tegelijk beeldende stijl. De vitaliteit spat er vanaf. Thijsse lijkt permanent verwonderd te zijn, grenzeloos nieuwsgierig. Bovendien laten zijn woorden vrij omdat ze niet moraliseren. Ze begeven zich in het hier-en-nu en zijn één grote lofzang op het leven. Soms lijk je met hem mee te lopen op één van zijn excursies. Zo stuit ik tijdens het bladeren op het volgende pareltje: ‘Op de 26ste mei 1907 ben ik van negen tot twaalf uur bij eenzelfde troepje Ereprijs gebleven. Dat is een heel plezierig werk, veel aardiger dan uren achtereen op een kantoor, in school of over een boek. Je moet het ook niet opvatten als gevangeniswerk, en het plekje zo kiezen dat je tegelijk een mooi stukje van Nederland kunt overzien, waar goed gezelschap van vogels te vinden is.’ Prachtig … drie uur lang bij ‘eenzelfde troepje’ planten … daar kun je in onze overprikkelde eenentwintigste eeuw niet mee aankomen!

De dagen erna laat het citaat me niet los. Wat een geduld, trouw, passie … en als vanzelf ga je dan nadenken over je eigen concentratieboog. Hoe lang zou ik, hedendaags exemplaar van de soort Homo zappens, bij ‘een troepje’ kunnen zitten? En zo daagt Thijsse, 108 jaar na dato, me uit. Daarom fiets ik op een beloftevolle zomerochtend naar de Kennemerduinen, om me daar over te geven aan drie uren waarnemen. Om zo dicht mogelijk op de huid van Thijsse te kruipen rijd ik naar de oude en hoge binnenduinen bij Bloemendaal, waar hij lange tijd woonde. Daar kies ik een duintop met zwarte dennen die daar ooit, op zijn advies, zijn aangeplant, ter voorkoming van zandverstuivingen. Ik zet mijn fiets tegen een boom en struin via een reeënpaadje door het struweel, totdat ik uit zicht ben. Op een mooi plekje spreid ik een doek uit over de grasachtige onderbegroeiing. Dat voelt een beetje als een slappe daad, maar door al dat venijnige gedoe met die teken en de ziekte van Lyme lijkt het me tóch verstandiger.

Ik neem plaats … en dan maar zitten … en waarnemen …

Het is stil. Hoog in de lucht vliegt een vliegtuig, vaag in de verte zoemt de Zeeweg. De wind ruist langs de dennennaalden, insecten vliegen door het tegenlicht. De tijd gaat stapvoets en het begint al aardig warm te worden. Na ongeveer een half uur merk ik dat mijn aandacht verslapt en mijn oogleden zwaar aanvoelen … ik kan hier toch moeilijk in slaap gaan vallen … Thijsse zou inmiddels series waarnemingen hebben gedaan! Om wakker te blijven sta ik op en ijsbeer wat. Ik pak de doek op om hem op een beter plekje te leggen … maar dan valt mijn oog op kleine, zwarte stippen op de lichtgekleurde stof … het is niet te geloven … in één oogopslag tel ik tien, elf, twaalf, dertien teken … en mijn Thijsse-project implodeert … ik stop de broekspijpen in mijn sokken, prop de doek in mijn rugzakje en loop met grote stappen door de kniehoge, met teken verzadigde vegetatie, terug naar mijn fiets …

Bij de uitgang van het duingebied besluit ik het bezoekerscentrum in te gaan, naar het Duincafé. Even bijkomen van de teleurstelling met een biologisch capucinootje. Het is er nog stil. Lichtelijk uit het veld geslagen mijmer ik over mijn mislukte project en ben boos op mezelf … natuurlijk … die ziekte van Lyme is, onderkoeld gezegd, verre van een pretje … maar om dan zó neurotisch te reageren op die teken … ik voel me een gedegenereerde, angsthazige bioloog … moet ik dan voortaan braaf op het pad blijven, mezelf condomiseren, volsprayen met DEET? Misschien moet ik maar gewoon thuisblijven en mijn tuin volledig gaan betegelen …

Bij het tweede capucinootje dagdroom ik weg naar al die onbezorgde jeugdherinneringen. De natuur in Amsterdam. Geen gedoe met teken. Je kende ze niet eens. Ja, je had muggen, bijen, wespen, maar die joeg je weg of sloeg je dood. Irritante beesten, maar ze brachten tenminste geen ziektes over. Onbezorgd ragde je door de bosjes en struiken. Ik herinner me de reusachtige iepen langs de grachten, als de pilaren van kathedralen. Het IJ was als een oceaan. Op de kleuterschool gingen we met de juf naar het Sarphatipark. De monumentale kastanjebomen oogden in de winter kaal en streng. In het voorjaar voelden we aan de kleverige knoppen. In de herfst kletterden de kastanjes naar beneden en we vochten om de mooiste exemplaren, die we in onze broekzakken lieten glijden, in de ijdele hoop dat ze bleven glimmen. Of we namen ze mee naar school en maakten er, met stokjes en ijzerdraad, herfstpoppetjes van. De bladeren sorteerden we op kleur, legden ze onder dun tekenpapier en toverden met potloden het nervenpatroon tevoorschijn. Of we stopten ze thuis in het dikste boek om ze daar later, gedroogd en fragiel, uit te halen … Amsterdam was mijn Arcadië.

Maar dan, onverbiddelijk, als een dief in de nacht, komt de breuk, de ontnuchtering, de ontmaskering van het sprookje. Je gaat anders kijken, anders waarnemen. De juf, waarnaar je al jaren bewonderend opkijkt, blijkt een dikke pukkel op haar kin te hebben. Je lacht om de gymnastiekmeester die tijdens het voordoen van de oefeningen last heeft van zijn bierbuik. Je wordt verstandiger, berekenend, strategisch, slim. Langzaamaan doet de Grote Wereld haar intrede. De magie van de jeugd verdampt, die mystieke band met de natuur desintegreert. Ik weet het nog goed, een jaar of negen was ik. Een zomers strand met oostenwind, dat wil zeggen: ‘kwallenwind’. Bij bosjes lagen ze langs de vloedlijn, als gestrande UFO’s. Als stoere jongens vormden we de ‘kwallenbrigade’. Met scheppen lepelden we de weerloze geleipuddingen op en wierpen ze in een kuil. Daarna volgde het rituele hoogtepunt: gillend en joelend hakten we de kwallen in stukjes …

Ja, zo vraag ik me af, op de fiets, terugrijdend op veilig asfalt … hoe zou Thijsse met de schaduwkanten van de natuur zijn omgegaan … met al die kwallen, wespen, ratten, muggen, teken?

Thuisgekomen loop ik direct naar mijn boekenkast en zoek naar dat kleine boekje van zijn hand … een tijdje terug kreeg ik het in handen, maar las het nog niet … misschien spreekt hij zich daarin uit over die donkere kant van de natuur … daar is het … breekbaar, dun, rafelig, vergeeld … een monografie met de titel Van muggen en malaria … uitgave 1924 … wat een prachtig kleinood en wat een bijzonder gegeven: nog geen eeuw geleden kwam in Nederland nog een vorm van malaria voor (de anderdaagse koorts). Aan Thijsse werd gevraagd, ‘ter bevordering van de bestrijding’, een boekje te schrijven. Direct is er die typische, Thijssiaanse stijl. En er valt iets op: hij begint niet, zoals je zou verwachten, met afschrikwekkende verhalen over stekende muggen en verwoestende malariaparasieten. Nee, eerst beschrijft hij nauwgezet en bijna liefdevol de mug, ondersteund door prachtige, zelfgemaakte tekeningen.

Thijsse: mug

Toch is het geen naïef, romantisch boekje. Thijsse spreekt zich overduidelijk uit vóór bestrijding, waarbij het ‘van het allergrootste belang is, dat men zijn tegenstander kent in al zijn kracht en in al zijn zwakheid’. Maar in de volgende zin voegt hij daar aan toe: ‘En nu moet het mij al dadelijk van het hart, dat die kennismaking, buiten zijn praktische waarde als strijdmiddel om, buitengewoon aangenaam is. De mug, zoowel als de larve, zijn bewonderenswaardige wezens.’ Daarna geeft hij een advies: ‘Als een mug, op bloed belust, eens op uw hand komt zitten, laat het dier dan eens voor één keer zijn gang gaan’. Wel eerst even checken of hij malaria zou kunnen overdragen en ‘blijkt dat het geval te zijn, sla hem dan maar dood.’ Zo blijft Thijsse, ook bij de minutieuze beschrijving van een potentieel ziekteverwekkend dier, helemaal Thijsse. Hij observeert de mug uitputtend, tekent haar, doet eigen experimenten. Maar tegelijkertijd behoudt hij zijn openheid, verwondering en bewondering voor het dier. Nee, Thijsse was, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, en hem zelfs verweten werd, niet naïef. In eerste instantie lijken zijn teksten inderdaad onschuldig van karakter te zijn. Toch wist hij als geen ander, hoe in zijn tijd natuur en landschap onder druk stonden. Maar humeurig werd hij daar niet van. Een enkele keer liet hij wel eens iets doorschemeren van zijn bezorgdheid. Zo schrijft hij in een ongepubliceerd manuscript over de aanleg van de Afsluitdijk: ‘Niet zonder aandoening zagen we aan den vooravond van de afsluiting het laatste kwalletje nog naar binnen gaan’. Thijsse strijdt, maar op een zachte manier, zonder te polariseren, zonder vijanden te maken: ‘We spreken niet over wat we verloren, maar wat we behielden en als nieuw verwierven’. Fraai komt die levenshouding naar voren in zijn ex libris.

ex libris Thijsse

Boven zijn naam de stralen van een opgaande zon. Eronder takken met spreeuwen. En dan dat schitterende woord: ‘Onbekommerd’. Ja, wat is dat eigenlijk, ‘onbekommerd zijn’? Het is niet dommig zijn, of naïef, of op een lege manier luchthartig. ‘Zonder kommer’ kan je pas zijn als je kennis hebt en die combineert met wijsheid en verwondering. Dát is wat Thijsse deed: hoofd én hart laten spreken. Ook als het over steekmuggen gaat. Over teken heeft hij niet geschreven. Maar zonder twijfel zou hij ook deze dieren ‘onbekommerd’ benaderd hebben.

Oog in oog

Het is even schrikken bij de ingang van het Gemeentemuseum Den Haag: er staat een lange wachtrij. Ik had het kunnen weten, het is immers weekend en de tentoonstelling met schilderijen van Mark Rothko (1903-1970) nadert zijn eind. Iedereen wil er nog even heen, voor het te laat is. Ook binnen is het druk, moedeloos makend druk. Ik wurm me door de massa en zoek een relatief rustige plek in één van kleinere ruimtes. Aan de muur tegenover me hangt een typisch laat werk van Rothko, bewoond door verweesde vlakken in een ijle, onbestemde ruimte.

Naast me zit een vrouw van middelbare leeftijd. Even kijken we elkaar aan. Haar donkerrood geverfde haar wolkt woest om haar hoofd. Ze draagt een opvallend grote bril met een fors, lichtblauw montuur. De bolle lenzen vergroten haar ogen uit.

Huilt ze?

Verlegen kijk ik weg, en, nieuwsgierig, weer terug. Inderdaad: ze huilt. Zou het dan toch kloppen wat Rothko over zijn schilderijen zei? Dat mensen erdoor geëmotioneerd kunnen raken? Ik kijk naar het schilderij voor ons. Ongenaakbaar en compromisloos hangt het daar, wars van logica en gezond verstand. Maar emoties, nee, die voel ik niet.

Mijn ooghoeken zeggen dat de vrouw me weer aankijkt. Voorzichtig draai ik me in haar richting. Ze vangt mijn blik, wil gaan praten, maar zwijgt. Daarna kijken we weer een paar minuten richting Rothko. Als ik opsta, leg ik impulsief een hand op haar onderarm en geneer me direct … rare handeling in een museum … snel loop ik weg en drijf manmoedig mee in het kunstliefhebbende plankton. Hoe kun je in deze mierenhoop je individuele, unieke emotie beleven? Hoe kun je hier die goddelijke vonk voelen, aangeraakt worden door de muze? Nee, dit museumbezoek lijkt eerder op een logistieke operatie … maar ik laat me niet kisten … in één van de grote zalen speur ik als een roofdier naar een plekje op de bank tegenover het werk dat de meeste indruk op me maakt: Untitled uit 1959.

Geduldig, rituele rondjes draaiend, wacht ik op mijn kans en maak ter compensatie een foto van het immense werk van zo’n twee bij vijf meter. Beteuterd kijk ik op het armetierige schermpje van mijn smartphone. Zo’n fotootje is natuurlijk een volstrekt ijdele poging om het monumentale origineel te benaderen. Maar je moet iets, in deze Kalverstraat-op-zaterdagmiddag … ineens ligt er een stukje bank bloot … met veredeld ellebogenwerk, we zijn hier immers als beschaafde cultuurliefhebbers onder elkaar, confisqueer ik mijn plekje. Direct strek ik de benen, in een poging een verkeersluwe zone tussen mij en het schilderij te creëren … dat lukt zowaar aardig … en ik duik in het schilderij, precies zoals Rothko dat voor ogen had. Want hij wilde geen scheiding tussen waarnemer en kunstwerk, je moest zijn werken ondergaan zoals je naar muziek luistert … en dan komen de vlakken voor me in beweging … vormen zich tot deuren … nee … tot ramen … nee … tot ogen waar ik doorheen kan kijken … naar … ja … naar wat precies? En zo ben ik terug bij af. Ik troost mezelf met een uitspraak van Goethe: ‘Zoek niets achter de fenomenen; ze zijn zélf de leer.’

Dan loopt een meisje met twee parmantige, rode Pippi Langkous-staarten mijn blikveld binnen. Ze maakt pas op de plaats en kijkt even aandachtig naar mijn Untitled. Als ze wegloopt zie ik haar eigenwijze, heldere ogen en de zwerm sproeten rondom haar neus … ze doet me aan iemand denken, maar ik weet niet wie … ze huppelt naar een even roodharige vrouw en pakt haar hand … dat zal haar moeder zijn … en dan schiet het me te binnen …

Het was afgelopen zomer. De westkust van Ierland, Connamara. Een prachtig, stil zandstrand vol pastelkleurige schelpen, leerachtig aanvoelende bladwieren en kompaskwallen met sierlijke patronen in de hoeden. Langs de waterlijn stond een meisje met een schepnet in de hand. Ze was even roodharig als Pippi en had net zo’n zwerm sproeten om de neus. Voor haar stonden drie plastic emmertjes met gele hengsels, vol met heremietkreeftjes. Bijzondere dieren zijn dat: aan hun achterlijf ontberen ze een hard pantser. Ter bescherming verbergen ze dat kwetsbare deel in lege slakkenhuizen. Alleen de kop, looppoten en scharen steken naar buiten.

image

Ik boog over haar emmertje en lispelde bewonderende woorden. Het was echt indrukwekkend wat ze had gedaan! Ze had de beestjes gesorteerd, met de schelpkleur als criterium. Emmertje 1 bevatte gemiddeld lichtroze slakkenhuizen, emmertje 2 bruin-grijze en emmertje 3 lichtgele. De kroon op het tafereel was de uitdrukking op haar gezicht: blij, eindeloos blij, intrinsiek blij. Nee, dat meisje was nog niet geconditioneerd door testen en toetsen, nog geen prooi van gestandaardiseerde leerlingvolgsystemen. Ze maakte zich nog geen zorgen over onvoldoendes, verlangde niet naar hoge cijfers, ze wilde, gewoon, domweg, helemaal vanuit zichzelf, kreeftjes verzamelen en die op pure schoonheid, op kleur sorteren. Verder dan dat ging ze niet. Haar klus was klaar en in zichzelf besloten. Ze was tevreden. Daar, op dat stille strand, aan de rand van die onmetelijke Atlantische Oceaan, waren de kleuren zélf de leer.

In Den Haag lopen Pippi en haar moeder de zaal uit … ja … misschien deed Rothko iets vergelijkbaars met kleuren, maar dan bewust. Zijn zwevende vierkanten en rechthoeken omlijnde hij niet. Ook de ultieme grens van zijn schilderijen, de omlijstingen, liet hij weg. Wat in zijn werk overblijft zijn die transparante kleurvlakken. Daar kon hij in zijn atelier eindeloos naar kijken. Van de toeschouwer vroeg hij ook zo’n instelling. Hij adviseerde, zeker bij de eerste ontmoeting met een schilderij, dicht erop te gaan staan, op een halve meter afstand. Ook liet hij zijn werken laag ophangen zodat je er letterlijk tegenover stond, bijna als mens tot mens: ‘Er mag niets tussen mijn schilderij en de toeschouwer staan’. En je vraagt je af: zocht Rothko iets achter of voorbij de kleurvlakken die hij gebruikte? Verlangde hij naar transcendentie, naar een wereld voorbij het zintuiglijke? Of waren de kleuren bij hem óók zelf de leer?

Voor de laatste keer ga ik terug naar Untitled.

Natuurlijk, het bankje is vol. Wachten dan maar weer … daar … de vrouw met de blauwe bril … gelukkig … ze zwaait vrolijk en is dus niet boos op me. Achter me praten een man en een vrouw over de griepprik die ‘dit jaar niet goed werkt’. Even later zegt iemand dat ‘Victor zijn keuken overdreven luxe heeft verbouwd … hij heeft nu zelfs een gasfornuis met zés pitten …. en hij kan nog geen eens een eitje bakken!’. Zijn metgezel reageert op geïrriteerde toon: ‘Ja … die laat het wel héél breed hangen!’

Het hoekje op de bank is weer vrij … subtiel schuif ik erop en duik nogmaals in het schilderij, sneller nu, het voorbereidende werk is immers al gedaan. En dan, na een paar minuten, uit het niets, voel ik nu wél emoties opkomen. Nee, er komen geen concrete beelden omhoog, geen ‘tragische gebeurtenissen’ die Rothko met zijn schilderijen verbond. Wat ik vooral ervaar is weerloosheid. Dit schilderij is weliswaar groot, maar tegelijk naakt en ongewapend. Het mist een pantser, zoals de achterlijven van de heremietkreeften. Het is niet ingesponnen in valse, bedekkende oordelen of schone schijn. Dit schilderij is een puur, rauw fenomeen, een open zenuw. Kwetsbaar is het, en daardoor zo ontroerend.

Older Posts »