Feed on
Posts
Comments

Amsterdam. De Zuidas. Hoge gebouwen van beton, staal, glas. Internationaal zakencentrum op de duurste grond van Nederland. Banken zijn er gevestigd, advocaten, notarissen, fiscalisten, een waaier aan bedrijfjes in het World Trade Center, duizenden brievenbusfirma’s en, aan de rand van het gebied, de Vrije Universiteit en het VU medisch centrum. Als een hongerige amoebe verslindt het ene na het andere bouwproject de laatste restjes onbebouwde grond.

Regelmatig kom ik er, op weg naar mijn forenzenbus. Al lange tijd probeer ik vat te krijgen op dit fascinerende gebied, op de sfeer, de mensen die er werken, de gebouwen. Maar zonder veel resultaat. Op de Zuidas beweeg ik richtingloos, als een kompasnaald op de Noordpool en kom er zelden tot échte stilstand. Landschapsarchitecten kennen dit verschijnsel en spreken bij plekken die ‘goed voelen’ over de aanwezigheid van een ‘genius loci’, een ‘lokale geest’. Die uit zich in subtiele tekens, zoals de vormen van het landschap, het karakter van de bodem, de aanwezigheid van markante bomen, de loop van het water, wegkruizen, de verhalen die mensen vertellen … toch moet ook op de Zuidas een genius loci te vinden zijn … de afgelopen weken dwaalde ik door het gebied, liep om de gebouwen heen, nam liften naar de bovenste etage of daalde af in parkeergarages en fietsenkelders … maar de genius loci openbaarde zich niet. Uiteindelijk resteert dan die ultieme strategie: denk de bebouwing weg en ga terug naar de tijd waarin het landschap nog niet door de mens is aangeraakt.

Het gebied waar de Zuidas ligt is ontstaan in het geologische tijdvak met de naam Saalien (200000 tot 130000 jaar geleden). Toen bereikte het Scandinavische landijs ook Nederland (grofweg tot de lijn Haarlem-Nijmegen). Eén van de gletsjerlobben eindigde waar nu de Zuidas ligt. In de periode van opwarming na de ijstijd bleef een bekken achter, omringd door ijsstuwwallen en, naar de kust toe, strandwallen. Dat bekken, met slecht doorlaatbare bodem, vulde zich met smeltwater. Daarbinnen ontstond een moeras waarin zich veen vormde. Eeuwenlang lag dat daar totdat de mens zich in het gebied vestigde en, vanaf de middeleeuwen, het veen ging afgraven, om er turf uit te winnen. Vanuit het huidige Amstelveen werd naar het noorden toe, in de richting van Amsterdam, vanaf een lint (de huidige Amstelveenseweg) het veen afgegraven in oostelijke richting, tot aan de rivier de Amstel. De turfwinning vond plaats tot op een diepte van vier meter. Daardoor liep het gebied vol met water, behalve daar waar men niet afgroef, op de zogenaamde loopvelden. Sommige van die loopvelden zijn nu nog herkenbaar, en omgevormd tot wegen, zoals de Kalfjeslaan. Uiteindelijk werd het gebied drooggemalen en ingepolderd, met een laaggelegen veenweidegebied als resultaat. Als je kijkt naar het stratenpatroon van de Zuidas, inclusief de ringweg A10, die er doorheen priemt, dan zie je er nog steeds de westoost-oriëntatie van de veenafgravingen in terug. Aanvullende informatie leverde de volgende oude topografische kaart, uit 1909.

Het hiervoor beschreven patroon is goed op de kaart te zien: helemaal onderaan, roodgekleurd, west-oost lopend, ligt de Kalfjeslaan (’t kleine Loopveld). Links de Amstelveenseweg, eveneens in rood, van zuid naar noord, richting Amsterdam. Helemaal rechts zie je de meanders van de Amstel. De zuidgrens van de Zuidas bevindt zich, grofweg, op 1/4e deel vanaf de bovenkant van de kaart. Het fraaie van de kaart is dat er de namen op staan van (niet meer bestaande) boerderijen langs de Amstelveenseweg. Met die namen als uitgangspunt loop ik op een mooie namiddag over de Amstelveenseweg, vanaf de kruising met de Kalfjeslaan, in de richting van de Zuidas.

Zomers zonnetje. Briesje. Ik kijk op de print van bovenstaande kaart en val terug in de tijd, naar het jaar 1909. In de verte zie ik het silhouet van Amsterdam. Meteen de eerste boerderij aan mijn rechterhand draagt een fraaie naam … Nooit Volmaakt.

De volgende boerderij … Bouwlust.

Reigersdaal.

Denkt Over U Zelven …

De Klap.

Buiten Verwachting … een verbeelding tartende naam die is als het begin van een verhaal … wat moet dat heerlijk zijn geweest, in die tijd, lopen over de Amstelveenseweg, met al die prachtige namen die langs je heenschuiven … er moeten daar diepe gesprekken zijn gevoerd, over verleden, heden, toekomst, over het leven … het lijkt wel of met elke naam van een boerderij een genius loci is verbonden …

Werklust.

Leeuwenburg.

Veldlust.

Zorgmeer.

Het is niet anders.

Werk en Rust.

Huis te Velde.

Dan een boerderij met een confronterende naam … Ken U Zelve … ik kan het niet nalaten en loop het erf op. Er lijkt niemand thuis te zijn … hoewel … voor de deur ligt een slapende hond. Een mooi beestje is het, jong, met een glanzende, zwart-witte vacht. Hij ligt er heel vredig bij. Vertederd loop ik naar hem toe en aai zijn kop … dat had ik niet moeten doen … hij schrikt en bijt vanuit een reflex in mijn hand. Ik vlucht het terrein af. Dat blijkt onnodig te zijn want, bij de weg aangekomen, zie ik dat hij zijn kop alweer heeft neergelegd … nee … maak nooit slapende honden wakker …

Amstelland.

En dan weer zo’n verleidelijke naam: Zelden Rust … ik tuur naar de boerderij, voorzichtiger nu … nee … geen slapende hond … ook deze boerderij ziet er uitgestorven uit … en ik waag het erop … snel loop ik het erf over en passeer de woning, waar zich een panorama ontvouwt dat de hondenbeet doet vergeten … veenweiden tot aan de horizon. Lichtspiegelingen in de buurt van de Amstel. Bloemkoolwolken. Hollands Landschap. Hollands Licht. Maar ver kom ik niet. Hekjes. Slootjes. Ik loop terug naar de Amstelveenseweg en spring naar het jaar 2016. Het verkeer ronkt, stinkt en toetert, zowel op de Amstelveenseweg als op de A10, die hier via brede betonnen viaducten de weg kruist. Een traumahelikopter landt op het dak van het ziekenhuis. Vliegtuigen dalen richting Schiphol. Het kan geen toeval zijn: op de plek waar ooit Zelden Rust stond, is ook in 2016 zelden rust.

Ongeveer op de plaats van de boerderij staat nu een gebouw van het VU medisch centrum. En weer loop ik erlangs, 107 jaar later, maar nu naar de skyline van de Zuidas. Het heet hier de Gustav Mahlerlaan, veel straten op de Zuidas zijn naar componisten vernoemd. Langs de hoogbouw van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam, de laatste resten van een schooltuinencomplex, een paar voetbalvelden met kunstgras en een bouwput waar 14000 vierkante meter kantoor moet gaan verrijzen, kom ik aan bij de Buitenveldertselaan. Daar stoot ik op iets onverwachts, bijna loop ik eraan voorbij. In een omheind gebied, vol met bomen, is de bodem grillig, op niet-machinale wijze omgewoeld. Een informatiebord maakt duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk zijn … varkens. Het blijkt te gaan om een dependance van de Stichting Familie Bofkont die (vooral) varkens opvangt. Op dit terrein leven twee fokzeugen en drie vleesvarkens, bevrijd uit de bio-industrie, samen met vier zwarte minivarkens. Ze zijn er volledig eigen baas, kortom, echte bofkonten. Uiteindelijk zie ik één van de zwarte varkens, die nieuwsgierig naar het hek waggelt en zich op zijn hardharige rug laat kloppen. Ik kijk naar het chaotische, schaduwrijke gebied dat hevig contrasteert met de efficiënte uitstraling van de megalomane Zuidas … dit is een geniale, absurdistische zet van Bofkont!

Aan de overkant van de Buitenveldertselaan kom in het deel van de Zuidas dat volop in bedrijf is. Ook hier straatnamen van componisten, die ik niet kan relateren aan het straatbeeld. Ik loop de Claude Debussylaan in, passeer de Benjamin Brittenstraat en ga bij de kruising met de Aaron Coplandstraat zitten op een betonnen rand. Ik kijk om me heen … en in een schok dringt het tot me door dat ik zít … niet beweeg … dat mijn kompasnaald stilstaat! Zou ik dan toch een genius loci op het spoor zijn? Ik speur naar tekens in de omgeving. De betonnen rand waarop ik zit blijkt onderdeel te zijn van een cirkelvormige zitbank rondom een boom … het is een Ceder … ontroerend dat hier, in de schaduw van al die hoogbouw, een boom is geplant …

Meer details dringen zich op: armetierige boompjes die, in tegenstelling tot mijn blakende Ceder, in bakken wortelen. Dan valt mijn oog op een groepje rokende mannen aan de overkant van de straat … zes in totaal, allemaal keurig in het pak … ze staan op gepaste afstand van elkaar en buigen zich over hun smartphones … ik steek over, ga ertussen staan en pak ook mijn telefoon, om te doen alsof ik erbij hoor. Mijn hoop is dat ze iets gaan zeggen, of een telefoongesprek voeren, maar dat gebeurt niet. Hup … daar gaat de eerste sigarettenpeuk, zomaar op de grond. Hup, de tweede. Irritatie golft in me omhoog. Hup, de derde … het liefst zou ik er iets van willen zeggen, maar zie dan iets bijzonders … ze blijken hun peuken niet op straat te gooien, maar in, of net naast, een bijzondere constructie met een naam die ik nog niet kende … een asbaktegel …

image

Ik nestel me weer onder de Ceder en surf op mijn smartphone naar de website van de fabrikant: ‘De Asbaktegel is gemaakt van metaal en wordt verzonken in de straat en kan niet worden vernield, dit in tegenstelling tot hangende asbakken of rookpalen.’ Er is een serie modellen, van type ‘junior’, via type ‘basis’ tot aan het topmodel ‘comfort XXL’. Het plaatsen is eenvoudig en de ‘geperforeerde binnenbak zorgt voor een goede afwatering.’ Wat je allemaal tegen kunt komen op het land achter Zelden Rust!

Inmiddels, aan de overkant, zijn er veel wisselingen bij de rokersgroep, een filtersigaret is immers zó op en je moet snel weer achter je computer. Er staan nu ook twee vrouwen, gekleed in bijna identieke mantelpakjes, ook zij turen gespannen naar hun schermpjes. Als je door de trivialiteit van de plek heenkijkt dringt zich een hallucinerende sfeer op … de zichtbare, gehaaste stress die via de peuken in de bodem verdwijnt en dan, aan mijn kant van de straat, de rustgevende Ceder die manmoedig de sfeer probeert te neutraliseren … zou zich hier een genius loci naar de oppervlakte willen wurmen? En je vraagt je af wat hier ooit, op precies deze plek, gebeurde op het land achter Zelden Rust …

Ik loop verder. Mijn tocht over de Zuidas loopt definitief dood op het massieve hoofdkantoor van ABN-AMRO. Ik kijk terug in de richting van de Amstelveenseweg en overzie mijn tocht over het veenweidegebied. Hoog torent de Zuidas in de lucht, maar de eigenlijke bodem is verborgen. Slechts twee wezens heb ik ontmoet die hier wél met de bodem verbonden zijn: het varken van Bofkont en mijn Ceder …

We worden dommer


We zaten met een mannetje of zeven aan tafel. De tweede fles wijn raakte al aardig leeg. Het gesprek kwam op tuinieren. Iemand zei iets over een plant: ‘Ach ja … hoe heet ie toch ook weer … hij heeft van die mooie paarse bloemen …’.
De kring probeerde hulp te bieden en raadde mee, maar de naam kwam niet boven water.
‘Misschien moeten we even googelen?’ stelde een reddende engel voor. Maar niemand ondernam actie, ondanks de drie smartphones die op tafel lagen.
‘Eerst nog maar even een glaasje wijn?’ zei de gastvrouw, waarna de avond verder genoeglijk voortgleed … alleen … dat plantje-met-die-paarse-bloemen bleef een zwart gat … maar ach, wat maakt het uit … waarom zou je al die moeite ook doen … alles staat toch op internet?

De ochtend erna zat ik in een volle forenzenbus en keek om me heen. Bijna iedereen tuurde zwijgend en voorovergebogen naar de verlichte schermpjes in hun handen. En ik dacht, lichtelijk cultuurpessimistisch: Hoe moet dat nou, als de stroom langdurig uitvalt en we onze batterijen niet meer kunnen opladen? Wat gebeurt er dán, als je aan een licht-benevelde tafel zit en iemand naar de naam van een paars plantje vraagt? Ja … ik zou het aan Maurice de Hond willen vragen, die protagonist van het moderne leren, goeroe van de iPad- of Steve Jobsscholen … weet je nog, Maurice, toen, met die millenniumwisseling, dat je ons waarschuwde voor de gevaren van op hol slaande computersystemen? Op jouw advies heb ik op de valreep, oudejaarsavond van 1999, het bad nog vol laten lopen, want het was niet uitgesloten dat ook de drinkwaterbedrijven plat zouden gaan …

Inderdaad, dat internet is magistraal, maar evengoed gekmakend en verwarrend. Laatst kwam ik daar weer eens achter. Ik daalde af in de kelder van de ingenieuze software waarop deze website draait, WordPress. Daar kun je vinden wat de statistieken van je site zijn, hoeveel mensen je bezoeken en door welke zoekwoorden ze bij je terecht zijn gekomen. Voor iedereen met een eigen website een advies: laat die kelderdeur dicht! Want wat bleek? Het meest gelezen verhaal van deze website is een niemendalletje, zó onbenullig van inhoud dat ik eerst nog twijfelde of ik het erop zou zetten. Het gaat over het wel en (vooral) wee van een nieuw aangeschaft apparaat, een melkopschuimer. Kortom: over niets. De lijst van ingetikte zoekwoorden van het verhaal is zowel hilarisch als deprimerend:

melkopschuimer
melk opschuimer
beste melkopschuimer
goede melkopschuimer
hand melkopschuimer
opschuimertje
opschuimer
plastic melkopschuimer
melkschuimer
melkopschuimer de
de melkopschuimer
melkopschuimer hand
hand opschuimer
melkklopper
melkklopper elektrisch
elektrische melkopschuimer
melkopschuimer elektrisch
melkopschuimer met de hand

En dit is nog maar een selectie, bovendien heb ik de zoekwoorden met gênante spelfouten weggelaten. Het meest dramatische zoekzinnetje wil ik echter niet achterwege laten: ‘Waarom schuimt mijn tomado tm6107 niet meer op?’ Zo dwalen we over het internet op zoek naar informatie over wegwerpapparaten die ruim binnen de garantietermijn sneuvelen, en ander Groot Leed. Exact hoeven we daarbij niet te zijn, want Google corrigeert je immers, of vult je aan. Iets goed kunnen spellen of uit je hoofd leren is ouderwets, want tegenwoordig werken we met onze 21st century skills! Ik citeer dezelfde Maurice de Hond in een artikel van 29 januari jongstleden in de Volkskrant: ‘Door Google en Wikipedia, smartphones en sociale media heb je waar ook ter wereld altijd de beschikking over alle informatie in de wereld. Dit leidt tot een compleet andere wereld dan de wereld waarin de mensen boven de veertig jaar zijn opgegroeid.’

En dan zie ik dat volgelopen oudejaarsbad weer voor me …

Kort na de avond met dat zwartegatplantje dwaal ik door het Haarlemse Frans Hals Museum, terwijl de woorden van De Hond nog een beetje op de achtergrond doorkabbelen … ik houd stil bij een groepsportret van Johannes Verspronck: De Regentessen van het Sint-Elisabeths Gasthuis (1641; zie foto boven). Kijk eens goed naar de blikken van die vrouwen. Indrukwekkend! Hun hele uitstraling, lichaamstaal, alles straalt autonomie en authenticiteit uit. Pas in tweede instantie zie je wat er vóór hen op tafel ligt …

… een lei met een krijtje erop … een potje inkt … een lakzegel … twee vogelveren, waarvan eentje, met inkt aan de punt, over de rand van het tafelkleed ligt … scheelt weer vlekken! Al die attributen zijn nuttige gebruiksvoorwerpen, maar niet meer dan dat. De eigenlijke actoren van het tafereel zijn de vrouwen zelf. En je vraagt je af hoe Verspronck, anno 2016, een groepsportret van óns zou maken. Misschien zou hij ons afbeelden als voorovergebogen, geïmmobiliseerde zwarte gaten, als naamloze plantjes-met-paarse-bloemen …

Een paar dagen later loop ik de Amsterdamse Apple Store binnen, gevestigd in het fraaie Hirschgebouw op het Leidseplein. Wat een heerlijkheid om daar te vertoeven! Al die prachtige, fraai vormgegeven, door en door slimme apparaten in één ruimte bij elkaar. In een enkele oogopslag zie je de complete, hoogbegaafde familie Apple voor je. Het mooiste in de winkel is misschien wel de glazen wenteltrap. Een echt kunststuk.

IMG_2520

Het lijkt of je bij Apple deelgenoot bent van een andere, betere wereld. Nee, het is niet een ruimte waar je naar binnengaat in je kluskleren met verfspatten erop, of met je modderschoenen nadat je de tuin hebt omgespit. Het is een schone, heldere wereld van wit licht en glas. De boodschap is: wij van Apple zijn transparant, wij leggen maagdelijke sneeuw over de geschonden aarde. We beloven het paradijs, het schone schip, het onbeschreven blad … tabula rasa.

Misschien is het dat wat Maurice de Hond met zijn Steve Jobsscholen wil. Weg met dat ouderwetse papier, de lekkende pennen, het stoffige bordkrijt, de vieze sponzen. Laten we in het onderwijs een oase creëren, scholen met glazen trappen die tot aan de hemel spiraliseren! In serene rust zijn de zelfsturende leerlingen met hun iPads in de weer. Toezicht is niet langer nodig. Geen gestreste docenten die met klotsende oksels tegen krijsende klassen schreeuwen. De moderne leraar is coach, procesbegeleider en staat niet frontaal tegenover, maar náást de zelfverantwoordelijke leerling. Via apps controleert hij wat de vorderingen zijn en hoe die zich verhouden tot de groep of algemeen geformuleerde standaarden en eindtermen. Het is het concept van de teacher independent education, in een nieuw jasje. Het achterliggende idee is: mensen zijn feilbaar, systemen niet. En nóg verder daarachter sluimert een neoliberaal mensbeeld waarin de mens, net als de anorganische natuur, meetbaar, weegbaar en voorspelbaar is.

Maar zijn al deze ontwikkelingen wel zo nieuw? Leven we wel in die ‘compleet nieuwe wereld’ van De Hond? Gaat het niet eerder om oude wijn in ronkende, fraaie nieuwe zakken? Laten we even paar stappen terug in de tijd zetten, naar 1926. Theo Thijssen, onderwijzer met vaardige en luchtige pen, schrijft zijn prachtige boek over het onderwijs, De gelukkige klas. Wat blijkt? Ook toen al leefde, in embryonale vorm, het adagium van ‘meten is weten’. Op een dag krijgt Thijssen de inspecteur in de klas. Die komt een nieuw kwaliteitssysteem controleren. Houden de leraren zich daar wel aan? Hebben ze het goed ingevuld? In het systeem, dat de naam ‘klassenregister’ draagt, moet de onderwijzer nauwgezet aangeven wat de vorderingen van de leerlingen zijn, aan de hand van helder omschreven criteria. Maar Thijssen vult het register slordig in. Zo noteert hij ook de resultaten van fictieve lessen en dateert die tot overmaat van ramp in de kerstvakantie. Hij komt daar pas achter als hij meekijkt met de inspecteur. Maar, wonder boven wonder, ziet die de fouten over het hoofd. Thijssen krijgt zelfs een compliment: ‘Buitengewoon consciëntieus bijgehouden.’ Uiteindelijk eindigt hij zijn boek, sprekend tegen zijn klas, met de volgende, iconische woorden: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen.’

De woorden van Thijssen, bijna een eeuw oud, zijn nog steeds actueel. Ze geven aan dat het fundament van elke vorm van onderwijs de relatie is tussen leraar en leerling. Als die ontbreekt heeft geen enkele technologie, hoe slim en veelbelovend ook, meerwaarde. Uiteindelijk vormt de mens zélf de kwintessens. Iedereen weet dat uit eigen ervaring. Denk maar terug aan je eigen schooltijd. Wat zie je voor je? Grote kans dat het mensen zijn, medeleerlingen, klassen, leraren. Als ik terugdenk aan mijn lagereschooltijd dan zie ik de juf voor me, honderdvoudig. Een keer droeg ze me op het gedicht Herinnering aan Holland van Hendrik Marsman uit het hoofd te leren. Nu nog voel ik de sensatie van het voordragen, de kwantumsprong die ik maakte in mijn zelfwaardering. En de juf, ja, ze zit er nog steeds, bij het raam. Ze glimlacht naar me, want ook zij ziet ‘breede rivieren traag door oneindig laagland gaan’. En achter haar zie ik het schoolplein, zinderend in de zomerzon en ook hoor ik die hond blaffen.

Natuurlijk is het allemaal niet zo zwart-wit. Uiteraard zal ICT in het onderwijs een steeds sterkere plek krijgen. Maar de spil blijven de mensen die er werken, met hun concrete gezichten, de modder aan hun schoenen, met hun onhebbelijkheden, humor, de meeslepende verhalen, hun verbeeldingskracht. Zeker, al die techniek maakt ons eindeloos slimmer. Maar laten we niet in de klassieke fout vervallen en het middel tot doel maken, tot pedagogisch ideaal, tot ideologie. Uiteindelijk zijn al die subtiele apparaten moderne varianten van de lei en het inktpotje van de regentessen van Verspronck. Zeker, we weten veel, met al die permanent beschikbare kennis in ‘de cloud’. Maar hoe wezenlijk is die ‘wolkwijsheid’ eigenlijk? Met evenveel recht kun je zeggen dat we tegelijkertijd dommer zijn geworden.

Emergentie

Half oktober. Zuid-Jutland, net buiten het stadje Ribe. Het loopt richting zonsondergang. Samen met een stuk of dertig Denen staan we verwachtingsvol aan de oever van de Ribe Å. Dikke jassen aan, dassen om, camera’s en verrekijkers in de aanslag. Een half uurtje wachten we … daar … het eerste groepje spreeuwen vliegt aan. Stap voor stap volgen andere groepjes, die versmelten met de eerder gearriveerde. Dat gaat door totdat een gigantische zwerm van, zo beweert iemand, 200.000 exemplaren is ontstaan. En dan, ineens, uit het niets, zonder duidelijke aanleiding, is er de eerste acrobatische beweging van de zwerm … allerlei vormen ontstaan … een bol … scheve pluim … sigaar … paddenstoel … golvende draden … ze accelereren, verdichten, vertragen … soms vallen vogels als zwarte klodders natte verf uit de zwerm om er schielijk weer in terug te keren en nooit, werkelijk nooit, botsen ze. En om dit alles nóg indrukwekkender te maken is er dat geluid, nee, niet dat snerpende gekrijs waar spreeuwen zo bekend om zijn … maar een laag, diep, zoevend geluid, een drukexplosie, ontstaan doordat ze massaal de vleugels wenden om synchroon van richting te veranderen.

De zon is bijna onder als de zwerm, even onverwacht, neerdaalt in de brede rietoever … nee … er lijkt geen centrale regie te zijn, geen leider die het voortouw neemt. De vogels verdwijnen definitief in de vegetatie en de kolonie barst uit in een oorverdovend lawaai. Zo gaat het elke dag, in voor- en najaar. In de ochtend herhaalt het tafereel zich spiegelbeeldig en zwermen de spreeuwen uit in alle windrichtingen, tot zo’n 50 kilometer afstand, meestal in kleine groepen.

De duisternis is gevallen en de toeschouwers druppelen weg, hun auto’s in. Wij fietsen terug naar onze overnachtingsplek in het prachtige Ribe en zwijgen, overdonderd als we zijn door het schouwspel. Voor het slapen gaan visualiseer ik die plastische, pulserende zwerm en hoor weer die exotische drukgolf … en val in slaap.

De volgende dag, lopend over de dijk van het piepkleine Waddeneiland Mandø, voor de kust van Ribe gelegen, met in de verte grote groepen ganzen, eenden en zwanen, ontstaan de eerste, schoorvoetende pogingen om vat te krijgen op het fenomeen van de avond ervoor. Ja, zo redeneer je dan onbeholpen, samen in zo’n zwerm ben je sterker dan alleen, beter beschermd tegen roofvogels. En misschien heb je het wel warmer, zo met z’n allen. Maar, zo argumenteert mijn rationele brein verder, de roofvogels van hún kant weten zo wel erg goed waar ze hun voedsel moeten halen … of misschien is het een sociaal gebeuren dat het groepsverband versterkt … of is het pure Spieltrieb … of …

De tweede avond worden we als vanzelf naar het schouwspel toegezogen. We zijn niet de enigen: een aantal mensen van de dag ervoor is er óók weer. En al begint het te regenen en is de wind hard en guur, het spektakel is even groots en raadselachtig.

’s Avonds struin ik het internet af, op zoek naar sluitende verklaringen. Er blijkt veel onderzoek te zijn gedaan naar zwermgedrag bij vogels. Er bestaan computermodellen waarin de gedragingen van de individuele dieren als algoritmen worden ingevoerd, waarna op het beeldscherm zwermachtige structuren ontstaan. Drie factoren zijn hierbij bepalend, zo lees ik. Ze worden met fraaie Engelse begrippen aangeduid en beginnen ook nog eens allemaal, de verbeelding prikkelend, met de letter a. Als spreeuw in een zwerm moet je aan avoidance doen: raak andere vogels niet aan. En let op je alignment: volg de gemiddelde richting van de zwerm. Tenslotte moet je letten op de attraction: vorm een deelzwerm met zeven tot acht vogels in je directe omgeving. Klinkt best wel logisch allemaal. Maar in het onderzoek zijn nog niet alle variabelen in beeld gebracht, zoals turbulentie, luchtdruk, wind, regen … het blijft dus nog even wachten op die Alomvattende Zwermtheorie … maar wat maakt het uit … die drie begrippen alleen al klinken als poëzie in de oren … ik neem ze mee de nacht in, als een soort mantra …

De derde dag, fietsend langs de verstilde, met trekvogels verzadigde Noordzeekust, praten we niet veel over de spreeuwen. Dat hoeft ook niet, want natuurlijk gaan we nóg een keer … en tegen zonsondergang staan we er weer. Het weer is nu wél mooi, er zijn plekken blauw in de lucht en er gloort avondrood. Meer nog dan op de vorige avonden hangt er verwachting in de groep … en daar zijn ze alweer … stap voor stap groeperen ze zich … de vliegpatronen zijn bij vlagen nog ingewikkelder en onvoorspelbaarder dan de dagen ervoor … en als vanzelf roep je ‘ah!’ en ‘oh!’ … iedereen doet dat trouwens … het lijkt wel of wij, exemplaren van de soort Homo sapiens, een dialoog voeren met de musici en balletdansers van de soort Sturnus vulgaris … en, tenslotte, na twee drukgolven verdwijnen ze weer in het riet en valt de nacht …

Tijdens het fietstochtje terug naar Ribe stel ik voor een nieuw werkwoord te formuleren, in een poging mijn overdosis verwondering en bewondering een beetje binnen de perken te houden … het heeft een exotische klank en een wat ongewisse spelling … uiteindelijk wordt het ‘ah-ohen’ … mooi woord trouwens voor in het Nationaal Dictee …

Ik ah-oh
Jij ah-oht
Hij ah-oht
Wij ah-ohen
Jullie ah-ohen
Zij ah-ohen.

Maar wat is eigenlijk de precieze betekenis van dit werkwoord? Tja, als je de ambitie hebt om in de Dikke Van Dale te komen, zul je precies moeten zijn … ah-ohen: het uitroepen van verbaasde kreetjes met open mond en uitgeschakeld rationeel brein. Een verwarrend werkwoord is het wel. Je bent immers niet meer in staat te tellen, te meten, te wegen. Je verliest je innerlijk houvast. Kijkend en luisterend naar zoiets als een spreeuwenzwerm ervaar je een groot aantal variabelen, die complex interacteren en simultaan optreden. Ineens blijkt 1 + 1 dan niet 2 te zijn, maar 3. De rationele mens in ons krijgt, ondanks al die ingenieuze computersimulaties, maar moeilijk vat op de kwantumsprong tussen het gedrag van de individuele spreeuw en dat van de zwerm. Biologen kennen dergelijke fenomenen maar al te goed en bezweren ze door er een mooi woord aan te geven: emergentie. Oog in oog met een emergent verschijnsel ga je vanzelf ah-ohen.

De laatste dag in Denemarken. De zonsondergang redden we niet, dan maar een zonsopgang … slechts een paar mensen zijn aanwezig … de spreeuwen verbergen zich nog in het riet … we zijn alert, want het kan zó gebeurd zijn … en inderdaad … daar gaan ze … ze erupteren uit het riet, als overkokende, zwarte melk … fraaie patronen toveren ze, maar niet zo langdurig als bij de zonsondergangen … en dan spat de zwerm centrifugaal uiteen, in alle denkbare richtingen … en het is het stil, oorverdovend stil …

Voor de laatste keer fietsen we terug naar Ribe. Ik merk dat mijn rationele brein weer aanfloept en nieuwe verklaringen zoekt … hou je in, denk ik, doorbreek de sfeer niet … blijf in het hier en nu … blijf ah-ohen … laaf je nog wat langer aan deze gesublimeerde schoonheid … accepteer dat de wereld groter is dan jezelf …

Onbekommerd

Jac. P. Thijsse

Iemand vertelde me over een wandeling: ‘Een rondje om het Naardermeer … prachtig … en zó dicht bij Amsterdam!’
‘En …?’ reageerde ik, met een kwinkslag. ‘Heb je de groeten gedaan aan Jac. P. Thijsse?’
Stilte. Openvallende mond. ‘Sjak-pee-teisse …?’
‘Ja … Jac. P. Thijsse … ken je die naam dan niet?’
‘Nee …’ klonk het, licht verontschuldigend.
Tja. En dan te bedenken dat Thijsse (1865-1945) het Naardermeer van de ondergang heeft gered. Amsterdam wilde er namelijk een vuilstortplaats van maken. Maar Thijsse trok aan de bel. In 1905 werd, ter redding van die ‘waardeloze plas’, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten opgericht. Met succes. Zo werd het Naardermeer het eerste beschermde natuurgebied van Nederland en startpunt voor de hedendaagse natuurbescherming. Maar Thijsse deed méér. Hij was onderwijzer, leraar, veldbioloog en schrijver van een groot aantal artikelen en boeken over de natuur, waarvan de Verkade-albums wel het meest bekend zijn. Door al die geschriften heeft hij in belangrijke mate bijgedragen aan de popularisering van ‘de natuur’ en een breed draagvlak gecreëerd voor de nationale natuurbescherming.

Een dag later toch maar even een mini-enquête gehouden. Aan welgeteld zeven, niet al te jonge mensen vroeg ik of ze Thijsse kenden. Werkelijk niemand wist van de hoed en de rand, één persoon wist wel te vertellen dat er ‘een tuin’ naar hem is vernoemd. En dan te bedenken dat het dit jaar een heus (gierend stil verlopend) Thijsse-jubileumjaar is: 150 jaar geleden werd hij geboren.

Ter compensatie van al die vergetelheid duik ik in mijn boekenkast, op zoek naar Thijsse. Nee, dat viertal boeken van zijn hand zal ik nooit wegdoen … ik trek mijn exemplaar van Omgang met planten uit de rij … alleen al de titel is genieten … lekker archaïsch … en een statement … planten zijn geen dingen, maar levende wezens waarmee je een relatie aan kan gaan, ‘omgang’ mee kan hebben. En als je dan gaat bladeren, blijf je bij Thijsse altijd ergens hangen, bij een dier, een plant, een landschap, een waarnemingsavontuur. Soepel schrijvend neemt hij je mee, in een exacte en tegelijk beeldende stijl. De vitaliteit spat er vanaf. Thijsse lijkt permanent verwonderd te zijn, grenzeloos nieuwsgierig. Bovendien laten zijn woorden vrij omdat ze niet moraliseren. Ze begeven zich in het hier-en-nu en zijn één grote lofzang op het leven. Soms lijk je met hem mee te lopen op één van zijn excursies. Zo stuit ik tijdens het bladeren op het volgende pareltje: ‘Op de 26ste mei 1907 ben ik van negen tot twaalf uur bij eenzelfde troepje Ereprijs gebleven. Dat is een heel plezierig werk, veel aardiger dan uren achtereen op een kantoor, in school of over een boek. Je moet het ook niet opvatten als gevangeniswerk, en het plekje zo kiezen dat je tegelijk een mooi stukje van Nederland kunt overzien, waar goed gezelschap van vogels te vinden is.’ Prachtig … drie uur lang bij ‘eenzelfde troepje’ planten … daar kun je in onze overprikkelde eenentwintigste eeuw niet mee aankomen!

De dagen erna laat het citaat me niet los. Wat een geduld, trouw, passie … en als vanzelf ga je dan nadenken over je eigen concentratieboog. Hoe lang zou ik, hedendaags exemplaar van de soort Homo zappens, bij ‘een troepje’ kunnen zitten? En zo daagt Thijsse, 108 jaar na dato, me uit. Daarom fiets ik op een beloftevolle zomerochtend naar de Kennemerduinen, om me daar over te geven aan drie uren waarnemen. Om zo dicht mogelijk op de huid van Thijsse te kruipen rijd ik naar de oude en hoge binnenduinen bij Bloemendaal, waar hij lange tijd woonde. Daar kies ik een duintop met zwarte dennen die daar ooit, op zijn advies, zijn aangeplant, ter voorkoming van zandverstuivingen. Ik zet mijn fiets tegen een boom en struin via een reeënpaadje door het struweel, totdat ik uit zicht ben. Op een mooi plekje spreid ik een doek uit over de grasachtige onderbegroeiing. Dat voelt een beetje als een slappe daad, maar door al dat venijnige gedoe met die teken en de ziekte van Lyme lijkt het me tóch verstandiger.

Ik neem plaats … en dan maar zitten … en waarnemen …

Het is stil. Hoog in de lucht vliegt een vliegtuig, vaag in de verte zoemt de Zeeweg. De wind ruist langs de dennennaalden, insecten vliegen door het tegenlicht. De tijd gaat stapvoets en het begint al aardig warm te worden. Na ongeveer een half uur merk ik dat mijn aandacht verslapt en mijn oogleden zwaar aanvoelen … ik kan hier toch moeilijk in slaap gaan vallen … Thijsse zou inmiddels series waarnemingen hebben gedaan! Om wakker te blijven sta ik op en ijsbeer wat. Ik pak de doek op om hem op een beter plekje te leggen … maar dan valt mijn oog op kleine, zwarte stippen op de lichtgekleurde stof … het is niet te geloven … in één oogopslag tel ik tien, elf, twaalf, dertien teken … en mijn Thijsse-project implodeert … ik stop de broekspijpen in mijn sokken, prop de doek in mijn rugzakje en loop met grote stappen door de kniehoge, met teken verzadigde vegetatie, terug naar mijn fiets …

Bij de uitgang van het duingebied besluit ik het bezoekerscentrum in te gaan, naar het Duincafé. Even bijkomen van de teleurstelling met een biologisch capucinootje. Het is er nog stil. Lichtelijk uit het veld geslagen mijmer ik over mijn mislukte project en ben boos op mezelf … natuurlijk … die ziekte van Lyme is, onderkoeld gezegd, verre van een pretje … maar om dan zó neurotisch te reageren op die teken … ik voel me een gedegenereerde, angsthazige bioloog … moet ik dan voortaan braaf op het pad blijven, mezelf condomiseren, volsprayen met DEET? Misschien moet ik maar gewoon thuisblijven en mijn tuin volledig gaan betegelen …

Bij het tweede capucinootje dagdroom ik weg naar al die onbezorgde jeugdherinneringen. De natuur in Amsterdam. Geen gedoe met teken. Je kende ze niet eens. Ja, je had muggen, bijen, wespen, maar die joeg je weg of sloeg je dood. Irritante beesten, maar ze brachten tenminste geen ziektes over. Onbezorgd ragde je door de bosjes en struiken. Ik herinner me de reusachtige iepen langs de grachten, als de pilaren van kathedralen. Het IJ was als een oceaan. Op de kleuterschool gingen we met de juf naar het Sarphatipark. De monumentale kastanjebomen oogden in de winter kaal en streng. In het voorjaar voelden we aan de kleverige knoppen. In de herfst kletterden de kastanjes naar beneden en we vochten om de mooiste exemplaren, die we in onze broekzakken lieten glijden, in de ijdele hoop dat ze bleven glimmen. Of we namen ze mee naar school en maakten er, met stokjes en ijzerdraad, herfstpoppetjes van. De bladeren sorteerden we op kleur, legden ze onder dun tekenpapier en toverden met potloden het nervenpatroon tevoorschijn. Of we stopten ze thuis in het dikste boek om ze daar later, gedroogd en fragiel, uit te halen … Amsterdam was mijn Arcadië.

Maar dan, onverbiddelijk, als een dief in de nacht, komt de breuk, de ontnuchtering, de ontmaskering van het sprookje. Je gaat anders kijken, anders waarnemen. De juf, waarnaar je al jaren bewonderend opkijkt, blijkt een dikke pukkel op haar kin te hebben. Je lacht om de gymnastiekmeester die tijdens het voordoen van de oefeningen last heeft van zijn bierbuik. Je wordt verstandiger, berekenend, strategisch, slim. Langzaamaan doet de Grote Wereld haar intrede. De magie van de jeugd verdampt, die mystieke band met de natuur desintegreert. Ik weet het nog goed, een jaar of negen was ik. Een zomers strand met oostenwind, dat wil zeggen: ‘kwallenwind’. Bij bosjes lagen ze langs de vloedlijn, als gestrande UFO’s. Als stoere jongens vormden we de ‘kwallenbrigade’. Met scheppen lepelden we de weerloze geleipuddingen op en wierpen ze in een kuil. Daarna volgde het rituele hoogtepunt: gillend en joelend hakten we de kwallen in stukjes …

Ja, zo vraag ik me af, op de fiets, terugrijdend op veilig asfalt … hoe zou Thijsse met de schaduwkanten van de natuur zijn omgegaan … met al die kwallen, wespen, ratten, muggen, teken?

Thuisgekomen loop ik direct naar mijn boekenkast en zoek naar dat kleine boekje van zijn hand … een tijdje terug kreeg ik het in handen, maar las het nog niet … misschien spreekt hij zich daarin uit over die donkere kant van de natuur … daar is het … breekbaar, dun, rafelig, vergeeld … een monografie met de titel Van muggen en malaria … uitgave 1924 … wat een prachtig kleinood en wat een bijzonder gegeven: nog geen eeuw geleden kwam in Nederland nog een vorm van malaria voor (de anderdaagse koorts). Aan Thijsse werd gevraagd, ‘ter bevordering van de bestrijding’, een boekje te schrijven. Direct is er die typische, Thijssiaanse stijl. En er valt iets op: hij begint niet, zoals je zou verwachten, met afschrikwekkende verhalen over stekende muggen en verwoestende malariaparasieten. Nee, eerst beschrijft hij nauwgezet en bijna liefdevol de mug, ondersteund door prachtige, zelfgemaakte tekeningen.

Thijsse: mug

Toch is het geen naïef, romantisch boekje. Thijsse spreekt zich overduidelijk uit vóór bestrijding, waarbij het ‘van het allergrootste belang is, dat men zijn tegenstander kent in al zijn kracht en in al zijn zwakheid’. Maar in de volgende zin voegt hij daar aan toe: ‘En nu moet het mij al dadelijk van het hart, dat die kennismaking, buiten zijn praktische waarde als strijdmiddel om, buitengewoon aangenaam is. De mug, zoowel als de larve, zijn bewonderenswaardige wezens.’ Daarna geeft hij een advies: ‘Als een mug, op bloed belust, eens op uw hand komt zitten, laat het dier dan eens voor één keer zijn gang gaan’. Wel eerst even checken of hij malaria zou kunnen overdragen en ‘blijkt dat het geval te zijn, sla hem dan maar dood.’ Zo blijft Thijsse, ook bij de minutieuze beschrijving van een potentieel ziekteverwekkend dier, helemaal Thijsse. Hij observeert de mug uitputtend, tekent haar, doet eigen experimenten. Maar tegelijkertijd behoudt hij zijn openheid, verwondering en bewondering voor het dier. Nee, Thijsse was, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, en hem zelfs verweten werd, niet naïef. In eerste instantie lijken zijn teksten inderdaad onschuldig van karakter te zijn. Toch wist hij als geen ander, hoe in zijn tijd natuur en landschap onder druk stonden. Maar humeurig werd hij daar niet van. Een enkele keer liet hij wel eens iets doorschemeren van zijn bezorgdheid. Zo schrijft hij in een ongepubliceerd manuscript over de aanleg van de Afsluitdijk: ‘Niet zonder aandoening zagen we aan den vooravond van de afsluiting het laatste kwalletje nog naar binnen gaan’. Thijsse strijdt, maar op een zachte manier, zonder te polariseren, zonder vijanden te maken: ‘We spreken niet over wat we verloren, maar wat we behielden en als nieuw verwierven’. Fraai komt die levenshouding naar voren in zijn ex libris.

ex libris Thijsse

Boven zijn naam de stralen van een opgaande zon. Eronder takken met spreeuwen. En dan dat schitterende woord: ‘Onbekommerd’. Ja, wat is dat eigenlijk, ‘onbekommerd zijn’? Het is niet dommig zijn, of naïef, of op een lege manier luchthartig. ‘Zonder kommer’ kan je pas zijn als je kennis hebt en die combineert met wijsheid en verwondering. Dát is wat Thijsse deed: hoofd én hart laten spreken. Ook als het over steekmuggen gaat. Over teken heeft hij niet geschreven. Maar zonder twijfel zou hij ook deze dieren ‘onbekommerd’ benaderd hebben.

Oog in oog

Het is even schrikken bij de ingang van het Gemeentemuseum Den Haag: er staat een lange wachtrij. Ik had het kunnen weten, het is immers weekend en de tentoonstelling met schilderijen van Mark Rothko (1903-1970) nadert zijn eind. Iedereen wil er nog even heen, voor het te laat is. Ook binnen is het druk, moedeloos makend druk. Ik wurm me door de massa en zoek een relatief rustige plek in één van kleinere ruimtes. Aan de muur tegenover me hangt een typisch laat werk van Rothko, bewoond door verweesde vlakken in een ijle, onbestemde ruimte.

Naast me zit een vrouw van middelbare leeftijd. Even kijken we elkaar aan. Haar donkerrood geverfde haar wolkt woest om haar hoofd. Ze draagt een opvallend grote bril met een fors, lichtblauw montuur. De bolle lenzen vergroten haar ogen uit.

Huilt ze?

Verlegen kijk ik weg, en, nieuwsgierig, weer terug. Inderdaad: ze huilt. Zou het dan toch kloppen wat Rothko over zijn schilderijen zei? Dat mensen erdoor geëmotioneerd kunnen raken? Ik kijk naar het schilderij voor ons. Ongenaakbaar en compromisloos hangt het daar, wars van logica en gezond verstand. Maar emoties, nee, die voel ik niet.

Mijn ooghoeken zeggen dat de vrouw me weer aankijkt. Voorzichtig draai ik me in haar richting. Ze vangt mijn blik, wil gaan praten, maar zwijgt. Daarna kijken we weer een paar minuten richting Rothko. Als ik opsta, leg ik impulsief een hand op haar onderarm en geneer me direct … rare handeling in een museum … snel loop ik weg en drijf manmoedig mee in het kunstliefhebbende plankton. Hoe kun je in deze mierenhoop je individuele, unieke emotie beleven? Hoe kun je hier die goddelijke vonk voelen, aangeraakt worden door de muze? Nee, dit museumbezoek lijkt eerder op een logistieke operatie … maar ik laat me niet kisten … in één van de grote zalen speur ik als een roofdier naar een plekje op de bank tegenover het werk dat de meeste indruk op me maakt: Untitled uit 1959.

Geduldig, rituele rondjes draaiend, wacht ik op mijn kans en maak ter compensatie een foto van het immense werk van zo’n twee bij vijf meter. Beteuterd kijk ik op het armetierige schermpje van mijn smartphone. Zo’n fotootje is natuurlijk een volstrekt ijdele poging om het monumentale origineel te benaderen. Maar je moet iets, in deze Kalverstraat-op-zaterdagmiddag … ineens ligt er een stukje bank bloot … met veredeld ellebogenwerk, we zijn hier immers als beschaafde cultuurliefhebbers onder elkaar, confisqueer ik mijn plekje. Direct strek ik de benen, in een poging een verkeersluwe zone tussen mij en het schilderij te creëren … dat lukt zowaar aardig … en ik duik in het schilderij, precies zoals Rothko dat voor ogen had. Want hij wilde geen scheiding tussen waarnemer en kunstwerk, je moest zijn werken ondergaan zoals je naar muziek luistert … en dan komen de vlakken voor me in beweging … vormen zich tot deuren … nee … tot ramen … nee … tot ogen waar ik doorheen kan kijken … naar … ja … naar wat precies? En zo ben ik terug bij af. Ik troost mezelf met een uitspraak van Goethe: ‘Zoek niets achter de fenomenen; ze zijn zélf de leer.’

Dan loopt een meisje met twee parmantige, rode Pippi Langkous-staarten mijn blikveld binnen. Ze maakt pas op de plaats en kijkt even aandachtig naar mijn Untitled. Als ze wegloopt zie ik haar eigenwijze, heldere ogen en de zwerm sproeten rondom haar neus … ze doet me aan iemand denken, maar ik weet niet wie … ze huppelt naar een even roodharige vrouw en pakt haar hand … dat zal haar moeder zijn … en dan schiet het me te binnen …

Het was afgelopen zomer. De westkust van Ierland, Connamara. Een prachtig, stil zandstrand vol pastelkleurige schelpen, leerachtig aanvoelende bladwieren en kompaskwallen met sierlijke patronen in de hoeden. Langs de waterlijn stond een meisje met een schepnet in de hand. Ze was even roodharig als Pippi en had net zo’n zwerm sproeten om de neus. Voor haar stonden drie plastic emmertjes met gele hengsels, vol met heremietkreeftjes. Bijzondere dieren zijn dat: aan hun achterlijf ontberen ze een hard pantser. Ter bescherming verbergen ze dat kwetsbare deel in lege slakkenhuizen. Alleen de kop, looppoten en scharen steken naar buiten.

image

Ik boog over haar emmertje en lispelde bewonderende woorden. Het was echt indrukwekkend wat ze had gedaan! Ze had de beestjes gesorteerd, met de schelpkleur als criterium. Emmertje 1 bevatte gemiddeld lichtroze slakkenhuizen, emmertje 2 bruin-grijze en emmertje 3 lichtgele. De kroon op het tafereel was de uitdrukking op haar gezicht: blij, eindeloos blij, intrinsiek blij. Nee, dat meisje was nog niet geconditioneerd door testen en toetsen, nog geen prooi van gestandaardiseerde leerlingvolgsystemen. Ze maakte zich nog geen zorgen over onvoldoendes, verlangde niet naar hoge cijfers, ze wilde, gewoon, domweg, helemaal vanuit zichzelf, kreeftjes verzamelen en die op pure schoonheid, op kleur sorteren. Verder dan dat ging ze niet. Haar klus was klaar en in zichzelf besloten. Ze was tevreden. Daar, op dat stille strand, aan de rand van die onmetelijke Atlantische Oceaan, waren de kleuren zélf de leer.

In Den Haag lopen Pippi en haar moeder de zaal uit … ja … misschien deed Rothko iets vergelijkbaars met kleuren, maar dan bewust. Zijn zwevende vierkanten en rechthoeken omlijnde hij niet. Ook de ultieme grens van zijn schilderijen, de omlijstingen, liet hij weg. Wat in zijn werk overblijft zijn die transparante kleurvlakken. Daar kon hij in zijn atelier eindeloos naar kijken. Van de toeschouwer vroeg hij ook zo’n instelling. Hij adviseerde, zeker bij de eerste ontmoeting met een schilderij, dicht erop te gaan staan, op een halve meter afstand. Ook liet hij zijn werken laag ophangen zodat je er letterlijk tegenover stond, bijna als mens tot mens: ‘Er mag niets tussen mijn schilderij en de toeschouwer staan’. En je vraagt je af: zocht Rothko iets achter of voorbij de kleurvlakken die hij gebruikte? Verlangde hij naar transcendentie, naar een wereld voorbij het zintuiglijke? Of waren de kleuren bij hem óók zelf de leer?

Voor de laatste keer ga ik terug naar Untitled.

Natuurlijk, het bankje is vol. Wachten dan maar weer … daar … de vrouw met de blauwe bril … gelukkig … ze zwaait vrolijk en is dus niet boos op me. Achter me praten een man en een vrouw over de griepprik die ‘dit jaar niet goed werkt’. Even later zegt iemand dat ‘Victor zijn keuken overdreven luxe heeft verbouwd … hij heeft nu zelfs een gasfornuis met zés pitten …. en hij kan nog geen eens een eitje bakken!’. Zijn metgezel reageert op geïrriteerde toon: ‘Ja … die laat het wel héél breed hangen!’

Het hoekje op de bank is weer vrij … subtiel schuif ik erop en duik nogmaals in het schilderij, sneller nu, het voorbereidende werk is immers al gedaan. En dan, na een paar minuten, uit het niets, voel ik nu wél emoties opkomen. Nee, er komen geen concrete beelden omhoog, geen ‘tragische gebeurtenissen’ die Rothko met zijn schilderijen verbond. Wat ik vooral ervaar is weerloosheid. Dit schilderij is weliswaar groot, maar tegelijk naakt en ongewapend. Het mist een pantser, zoals de achterlijven van de heremietkreeften. Het is niet ingesponnen in valse, bedekkende oordelen of schone schijn. Dit schilderij is een puur, rauw fenomeen, een open zenuw. Kwetsbaar is het, en daardoor zo ontroerend.

Het verste punt van de Imitatio Ornithologica is bijna in zicht (klik hier voor deel 1 en deel 2)! Nog een kilometertje of dertig. Na de vuilstort bij Alkmaar gaat Larus richting Akersloot. Daar scheert hij langs de oever van het Alkmaardermeer. Ik scheer mee en kom mooie topografische plaatsnamen tegen, zoals Klein Dorregeest. Hoe zou het zijn om daar te wonen? Daarna steekt hij het meer over, richting Amsterdam. Pas na een flinke omweg kom ik hem weer tegen, zuidelijk van het meer, in – weer zo’n fraaie naam – de Krommenieër Woudpolder. In Krommeniedijk, Krommenie en Westzaan is het ploeteren om hem te volgen. Ik besluit de kortste weg te nemen naar het Noordzeekanaal en me daar te focussen op het keerpunt in Amsterdam-West. Na halsbrekende toeren over een voor fietsers verboden weg, bevolkt met razend vrachtverkeer, bereik ik het kanaal. Vanaf de dijk is het panorama fraai. Een koppeltje zwanen. Overvliegende meeuwen. Het ongenaakbare silhouet van de havens. Schepen met vlaggen uit verre landen.

Tja, en dan vliegt Larus eventjes naar de overkant van het kanaal. Ik moet kiezen: óf zo’n kilometer of vijf naar het westen, naar pont Buitenhuizen, of vier kilometer oostelijk naar pont Hembrug. Ik kies voor de laatste. Eenmaal aan de overkant moet ik een lange lus om de Westhavens maken. Erg is dat niet, want ook hier glijden weer de verbeelding tartende namen langs … Sonthaven … Bosporushaven … Suezhaven … Beringhaven … Hornhaven … Aziëhaven … Australiëhaven … waar een meeuw je al niet kan brengen! Uiteindelijk, na een omweg van een slordige vijftien kilometer, bereik ik dan de overkant van het kanaal … op naar het keerpunt … langs de rokende schoorstenen van de energiecentrale Hemweg … door het bedrijventerrein Westpoort … over de drukke Haarlemmerweg … de eerste woonblokken van Amsterdam-West … het voetgangersbruggetje over de Albardagracht … daar cirkelde Larus een tijdje rond, voordat hij terugreisde naar zijn nest op Texel …

De eerste indrukken van het keerpunt vormen een anticlimax. Mijn aanname dat het keerpunt het hoogtepunt van de tocht zou zijn, sneuvelt snel. De sfeer is gewoontjes, zomers lui. Nieuwbouwflats. Wat verderop een winkelcentrum. De wijk, aandachtig en met zorg ontworpen, oogt prettig. De gracht, en de grasstroken erlangs, zorgen voor een milde uitstraling. Hier wordt hard gewerkt om multicultureel Nederland te laten slagen. In ornithologisch opzicht is de plek echter non-descript.

Maar laat ik niet te vroeg oordelen.

Ik installeer me op een bankje aan het water. Hoe langer ik kijk, des te meer valt het op dat er rondom het bruggetje vooral veel vogels verblijven. Meeuwen, meerkoeten, eenden, duiven. Opvallend zijn de drie aalscholvers die op evenzoveel paaltjes in de gracht hun gespreide vleugels aan de lucht drogen … niet echt een logische plek voor deze soort … het lijkt hier wel een samenscholing in een winters wak. Maar hoeveel voedsel is hier te halen? De straat oogt redelijk schoon, ik zie niet dat mensen vanuit de flats voedsel naar beneden gooien … de massale aanwezigheid van de vogels heeft iets raadselachtigs.

Ik wacht een half uur, een uur, anderhalf uur … eindelijk lijkt er iets te gebeuren als een man een broodzak leegschudt op het gras naast het water. Direct ontstaat er een relletje tussen meeuwen, maar dat dooft snel. De sfeer keert terug naar de standaardinstelling: loom. Wel doe ik een paar bijvangsten. Zo zie ik een vrouw de reclamefolders die ze moet bezorgen in een afvalbak proppen. Een man sleept een op slot staande fiets mee, en zet die tegen een boom. Gestolen waar? Interessant allemaal, maar vogeltechnisch gezien blijft het doodtij. Ja, waarom, beste Larus, ben je vanaf Texel helemaal hierheen gevlogen?

Na twee uur houd ik het voor gezien. Het keerpunt heeft geen antwoord gegeven. Mijn motivatie daalt naar een nulpunt. Ja, waar ben ik eigenlijk mee bezig? Lichtelijk teleurgesteld besluit ik terug te fietsen naar huis.

Een paar dagen pruttelt het vogelproject op een laag vuur totdat J. me ernaar vraagt. Met enige schroom vertel ik over mijn bevindingen. Graag had ik een paar klinkende resultaten gemeld. Ja, vreemd allemaal, dat vindt ze ook. Klinkt inderdaad niet als erg efficiënt, dat vliegen tussen Texel en een nieuwbouwwijk in Amsterdam. En dan stelt ze voor, misschien wel als een pleister op de wond, om samen terug te gaan naar het voetgangersbruggetje.

Zo gezegd, zo gedaan. Een weekje later staan we aan de oever van de Albardagracht. Nog steeds dezelfde vloed aan vogels. Veel Zilvermeeuwen, in het gras, op het water, hoog op de daken van de flats. Als extraatje zien we een scharrelend paartje nijlganzen en een klein drama: een reiger met een nog levende rat in de bek. We lopen een paar honderd meter langs de gracht, weg van het bruggetje. Ook nu ontvouwt zich hetzelfde patroon: met iedere stap die we zetten neemt de dichtheid van de vogels af. We besluiten mensen aan te spreken, misschien weten zij meer over de vogels of het lokale voedselaanbod. Als eerste klampen we een man aan die, zo schatten we in, wel van vogels houdt. Op zich blijkt die taxatie te kloppen, maar als we naar de meeuwen op het gras wijzen, gelooft hij niet dat de bruingevlekte juvenielen óók meeuwen zijn. De communicatie stokt op basaal ornithologisch niveau. Misschien weet die mevrouw meer … maar ze spreekt een taal die we niet kunnen classificeren. Verder dan wat gelach over en weer, komen we niet.

De Albardagracht is een Toren van Babel.

We hebben nog een genoeglijke namiddag, maar wat de Zilvermeeuw betreft is er geen progressie. Texel ligt noordelijker dan de Noordpool.

Weer suddert de Imitatio een paar dagen op een laag pitje. Af en toe denk ik zelfs aan afblazen van het project … maar ja … vier dagen heb ik er inmiddels in geïnvesteerd. Op een avond probeer ik mezelf, een beetje met de moed der wanhoop, op te peppen en nestel me achter mijn computer. Ik google me suf op de Albardagracht en omgeving. Dat levert geen aanknopingspunten op, totdat ik terechtkom bij oude topografische kaarten … fascinerend … één daarvan, een uitgave uit 1746 van het Hoogheemraadschap Rijnland, doet me opveren …

Eindeloos vergelijk ik de kaart met recente kaarten. Stap voor stap, na veel passen en meten, dringt de conclusie zich naar voren: op het keerpunt heeft lange tijd een meertje gelegen, het Ookmeer, op de kaart aangeduid als het ‘Oock Meertge’. Zuidelijk zie je de oever van het voormalige Haarlemmermeer. Ertussenin ligt een veengebied waar, door turfwinning, veenriviertjes ontstonden die zich verbreedden tot meertjes, waaronder het Ookmeer. In de negentiende-eeuw werd besloten het Haarlemmermeer, dat vervaarlijk oprukte richting Amsterdam, droog te leggen. Dat proces was klaar in 1852. Het Ookmeer bleef nog enige tijd bestaan, tot de droogmaking in 1874.

Het is een prikkelende hypothese: het keerpunt van Larus als de reminiscentie aan een ooit bestaand meer. Misschien was het Ookmeer ook zo’n rust- en vergaargebied als het zoete water in de Grafelijkheidsduinen en het Zwanenwater, of de meertjes langs de Westfrieseomringdijk. Het zou best kunnen dat zo’n plek door de eeuwen heen in het collectieve geheugen van vogels is vastgelegd. Toegegeven, het is een gewaagde, moeilijk te toetsen hypothese … hoe dan ook … er kwam weer leven in mijn Imitatio … daarom sta ik een paar dagen later, met alarmerende weersvoorspellingen op de achtergrond, weer bij het voetgangersbruggetje over de Albardagracht.

De situatie aldaar is ongewijzigd: veel vogels, weinig voedselaanbod.

Eindelijk gaat het nu richting Texel … boven de Afrikahaven slaan zorgelijk zwarte wolken de handen ineen. Ik had het kunnen weten: de naweeën van orkaan Bertha. Gewoon doorfietsen, verstand op nul … de dijk langs het Noordzeekanaal, die Larus voor een kilometer of negen in westelijke richting volgt om daarna, in een lichtgebogen, noordwestelijke lijn aan te koersen op Castricum aan Zee.

Daar zijn de eerste druppels … vette druppels … dit wordt niet zómaar een bui … stom … ik heb wel een regenjas bij me maar verder alleen een bolletje droge sokken. Ik wil schuilen onder een boom, maar zwik in het onregelmatige gras en zak tot mijn enkels weg in een verborgen modderplas. Langzaam trekt het water mijn sokken in. Fietsen dan maar weer en dekking zoeken op de pont Buitenhuizen, die gelukkig vlakbij is. Vreemd: er staat een lange file. Dat komt omdat, zo hoor ik iemand zeggen, de Velsertunnel door al die stortbuien is volgelopen en afgesloten. De overspannen schipper maant de auto’s de pont op: ‘We varen zonder onderbreking heen en weer … opschieten graag!’

Ik rijd het dek op en schuil in een hoekje, samen met een man, ook een fietser. Mooie Ortlieb-zijtassen hangen aan zijn sportfiets. We kijken, zoals mannen dat kunnen doen, naar elkaars materiaal, naar het merk fiets, type versnellingen, remmen, dat soort dingen.
Ik open het gesprek: ‘Waar kom je vandaan gefietst, in dit weer?’
‘Vanochtend vertrokken uit Woerden en ik ga naar Heerhugowaard!’
Indrukwekkend … een matineuze kilometervreter … deze man is een echte Larus!
‘En jij?’
‘Op weg naar Texel …’ zeg ik, met enige terughouding, want het verhaal over mijn meeuw is ingewikkeld en, trouwens, Texel ga ik vandaag helemaal niet halen, dat is wel zeker.
‘Ook best een aardig eindje …’
De pont is inmiddels halverwege het kanaal terwijl de regen het water geselt. Nu verderfietsen zou pure zelfkwelling zijn, en er is een ander probleem, dat Ortlieb als eerste signaleert: het wachthokje aan de overkant, zo te zien de enige droge plek, puilt uit van schuilende fietsers en bromfietsers. Als de klep daalt neemt hij een besluit. ‘Weet je wat … we varen net zo lang heen en weer totdat het droog is!’
Samen lachen we over zoveel spitsvondigheid!
De boot stroomt leeg en weer vol. Geïrriteerde mensen. Dat komt natuurlijk door die volgelopen tunnel. Maar in ons hoekje is het gezellig en droog. We babbelen losjes, over fietstochten en over zijn fraaie Rohloff-versnellingsnaaf.
Drie keer varen we heen en weer.
‘Bijna droog!’ roept Ortlieb en wijst naar de fraaie regenboog. Welgemoed duwen we onze fietsen de pont af. Mijn doorweekte schoenen maken soppende geluiden. Hij hoort het: ‘Weet je wat … ik heb extra schoenen bij me … heel oude … maar wel droge … je mag ze hebben!’
Hij woelt in een zijtas en haalt een paar afgetrapte sportschoenen naar boven.
‘Nee, joh … ik red me wel!’ protesteer ik.
‘Ik had ze thuis al bijna weggegooid!’ Hij zet het paar voor me neer, slaat kameraadschappelijk op mijn schouder en rijdt in hoog tempo weg.
‘Bedankt!’ roep ik hem nog na.
Ik trek mijn druipende sokken uit en verwissel ze voor het droge bolletje. De schoenen zijn te groot, maar dat maakt niet zoveel uit op de fiets.
Op weg!
De dijk langs het Noordzeekanaal … aan de overkant ligt de hal van Snowplanet, waar je ook in de zomer kunt skiën … van daaruit vloog Larus naar Castricum aan Zee. Maar eerst het industriegebied Beverwijk, terwijl de volgende tropische bui aanstalten maakt. Ik maak vaart en rijd door tot aan de woonboulevard. Auping. Lederland zitmeubelen. Kookhuis. Bankstelgigant. Karwei. Woonexpress … en daar … alsof de duivel ermee speelt … op het dak van Beter Bed … een Zilvermeeuw!

De stortbui valt.

Ik schuil onder de overkapping van de winkels en ijsbeer. Wonderlijk, dat lopen met andermans schoenen. Ze zijn ruim twee maten te groot: 47,5. Merk: Nike, type Renzo. Made in Vietnam. Gek, de veters links en rechts zijn verschillend gestrikt. Zou ik persoonlijk nooit doen. De zolen zijn vooral aan de binnenzijde afgesleten. Bij mij slijten ze juist aan de buitenkant. Vandaar het gevoel dat ik met X-benen loop. Waar zou Ortlieb trouwens fietsen? Schuilt hij ook ergens voor de regen?

Op mijn telefoon toont Buienradar alarmerende beelden … code oranje … ik rijd naar station Beverwijk en neem de trein naar huis. Pas het volgende weekend is Bertha uitgeraasd en begin ik aan de laatste etappe naar Texel … Beverwijk … Heemskerk … het Noord-Hollands Duinreservaat, de bossen rond de Kruisberg. Ik ruik hars en schimmels. De herfst rukt op. Het is prettig in het bos, maar tegelijkertijd besef ik me dat Larus niet geïnteresseerd is in bossen. Hier wil hij helemaal niet zijn, hij is op weg naar Castricum aan Zee. Daar, bij de parkeerplaats om precies te zijn, trekt hij de zee op om, kilometers uit de kust, in een vrijwel rechte lijn naar Texel te vliegen.

Ik loop het strand op en voel dat mijn Imitatio eigenlijk voorbij is. Na een paar kilometer, op een verlaten plek, rust een grote groep meeuwen. Gemengd assortiment: Mantelmeeuwen, Zilvermeeuwen, Stormmeeuwen, veel gevlekte juvenielen. Ik schurk me tegen het duin aan en observeer. Stil zitten ze, op veilige afstand van elkaar en tóch samen. Als ik voorzichtig een paar stappen zet, vliegen ze al snel op. Vreemd, in Alkmaar landt een Zilvermeeuw op een overbevolkt terras, hier, samen met de andere vogels, zijn ze eerder schichtig dan brutaal. Ik trek me terug in de luwte van het duin. De rust keert terug. Ze lijken me niet te zien. Maar dat is schijn. Als ik met een ingehouden gebaar een minuscule broodkorst in hun richting werp, vliegen direct tientallen meeuwen op. Deze dieren zijn uiterst visueel georiënteerd.

Het laatste stuk naar Den Helder. Zo dicht mogelijk volg ik de kustlijn. Dezelfde plekken van de heenweg, maar dan bijna een maand later. Op het pleintje in Callantsoog is het hoogseizoen achter de rug. Op de daken geen enkele meeuw. De Grafelijkheidsduinen zijn uitgestorven. Ook op de zeedijk richting Den Helder weinig vogels.

De boot naar Texel: rustig.

Het witte kerkje van Den Hoorn. Het onverharde pad vlak voor de strandopgang, de duinen in. De heide is uitgebloeid. De Horsmeertjes, op de heenweg vol kolkend vogelleven, zijn leeg, net als het landschap eromheen. De meeuwen zijn uitgezwermd, over Nederland, België, Frankrijk. Pas in het nieuwe broedseizoen zullen ze terugkeren. Nergens een vogelslag in de windstilte. Geen gekrijs, gemiauw, geblaf, geen tartende lach. En dan, ineens, uit het niets, stapt een fazant het pad op. Een mannetje. Hij stopt en draait de kop heen en weer. Ongelooflijk, dat glanzend blauw van zijn nek, het groen en rood van de kop, het goudgeel van de ogen, de witte snavel, de borst met die glanzende, kastanjebruine dakpannetjes … nooit zag ik het zo intens als nu … en ineens vliegt hij luidruchtig en met paniekerige vleugelslag weg, laag over het duinstruweel.

Op de boot terug naar Den Helder zoek ik de Latijnse naam van de Fazant op: Phasianus colchicus

image

Ook op de tweede dag van mijn Imitatio (klik hier voor deel 1) is het stralend en behaaglijk warm nazomerweer. Ideale omstandigheden voor een fietstocht. Welgemoed reis ik af naar het eindpunt van de vorige etappe, tevens de plek waar Larus landinwaarts trok, vlakbij de kernreactoren van Petten. Vanaf hier zijn grote delen van mijn route een compromis tussen de in zuidoostelijke richting vliegende vogel en het asfalt dat daar grillig tegenin loopt.

Soms is Larus kilometers ver van me weg, vliegend boven weilanden, dan weer kruist hij in een flits de weg waarop ik rijd. Pas op de Westfrieseomringdijk gaan we een paar kilometer gelijk op. Ik prijs me gelukkig met zijn keuze … wat een fraai cultuurlandschap is dit! Dijk & polders & water & donkergroene koolvelden. Net als in de Grafelijkheidsduinen lijkt het geen toeval dat hij hier vliegt. Langs de dijk liggen meertjes, rust- en vergaarplekken vol met eenden, ganzen en meeuwen … ik voel Larus nabij en kijk omhoog … daar vliegt hij … boven deze eeuwenoude dijk die zich, 126 kilometer lang, kronkelend een weg baant door West-Friesland. Zeven eeuwen geleden snoof je hier de zilte zeelucht op, zag je buitendijks de stromingen van eb en vloed …

image

En ineens zwenkt hij af, over akkers, richting Tuitjenhorn. Ik heb het nakijken. In het dorp, nuchter West-Fries en met een koolgestuurde economie, kom ik hem weer tegen en rijd mee naar het industriegebied. Vreemd: voor de hoge loodsen staat een metershoge groene papegaai. Ik weiger me te laten vermoeien door zoveel absurditeit en rijd het terrein op, tot de ingang van wat een recreatiepark blijkt te zijn, het Van Blanckendaell Park. Een informatiebord geeft aan wat er allemaal te doen is: speeltuin, boerenmuseum, zwembad met familieglijbaan en een dierenpark … vandaar natuurlijk die papegaai langs de weg!

Gekrijs in de lucht.

Een meeuw.

Direct ga ik erachteraan, langs donkere, verlaten ogende loodsen. Nog nét zie ik hoe hij daalt en verdwijnt achter de omheining van het recreatiepark. Op mijn telefoon – handig toch dat mobiele internet – vind ik de plattegrond van het park. Het lijkt erop dat hij is geland bij een vogelvijver bevolkt met, zo lees ik, eenden, duiven, zwanen, ganzen, reigers, kraanvogels, ibissen en pelikanen. Slim! Op zo’n plek is ongetwijfeld eten te vinden. Dat kunnen Zilvermeeuwen ook al: voedsel afpakken van tropische vogels … maar laat ik niet teveel dralen … de dag glijdt tussen mijn vingers door … ik moet vaart maken … net als Larus … want op zijn nest gooien de jonkies hun kopjes achterover en sperren hongerig de bekjes … ze willen tikken tegen de oranje vlek op de onderkant van zijn snavel, zodat hij het voorverteerde voedsel opbraakt … ik zet mijn blik op oneindig … Warmenhuizen … Diepsmeerpolder … in Koedijk, gemeente Alkmaar, maar dorps ogend, kom ik, wonderlijke samenloop, langs het huis van H. en C.. Zij blijken pal onder de doorvliegroute te wonen. Misschien heeft hij wel op hun dak gezeten!

Ik bel aan.

De ontvangst is gastvrij en als een echte omnivore meeuw drink en eet ik wat voor mijn voeten ligt. Het is warm en gezellig, onder die parasol in de tuin. De zon brandt, de sfeer is lekker loom. Ik zak wat onderuit, maar ik verman mezelf en besluit weer op pad te gaan, anders komt die tocht nooit af! Bij mijn vertrek legt H. me uit hoe ik het snelst in Alkmaar kom, maar hij slikt zijn woorden in: ‘Ach ja … natuurlijk … jij volgt de meeuwenroute …’ Ik knik, een beetje ongemakkelijk, want laten we eerlijk zijn: dit is toch eigenlijk wel een raar project.

En terwijl mijn gevleugelde tochtgenoot losjes over daken vliegt, voor- en achtertuintjes passeert alsof het niets is en de kortste weg neemt over labyrintische woonerven, arriveer ik met verhitte remblokjes in het drukke centrum van Alkmaar. Daar vallen we weer even samen. Zonder twijfel heeft hij hier, op het fraaie Waagplein, gepauzeerd. Onder het genot van een Italiaans ijsje overzie ik de terrassen die zomers vol zitten. En ja hoor, je hoeft maar even omhoog te kijken om ze te zien zitten, de meeuwen, net als in Callantsoog, op lantaarnpalen, dakpunten, de ophaalbrug, de Waag …

image

Mijn ijsje is al lang op, als dan tóch gebeurt waarop ik de hele tijd hoop, nota bene vlak voor me, op het terras. Een forse Zilvermeeuw landt moedig op één van de parasols. Eronder zitten een gezapige man en even gezapige vrouw. Direct voel ik een instinctieve neiging om het voor de meeuw op te nemen. Irritatie schiet door me heen als de man een vadsige slok neemt van zijn biertje en een vlammetje opprikt. Bijna woede voel ik, als zij, even consumptief, een slok neemt van haar prosecco en eet van haar pomodorisalade met licht geroosterde pijnboompitten en buffelmozzarella, overgoten met extra vierge olijfolie van de eerste koude persing, op een bedje van rucola … zo moet het op de menukaart staan, denk ik gestuwd … en natuurlijk heeft de meeuw deze overdaad in de gaten. Voorzichtig waggelt hij naar de rand van de parasol, balancerend op het doorbuigende textiel … dat gaat mis … hij glijdt onderuit, buitelt over de rand, maar corrigeert zich met een acrobatische beweging, en vliegt weg … de vrouw schrikt en slaakt een hysterisch gilletje waarna de man, als reactie, begint te lachen, nee … schuddebuiken. In zijn opengesperde mond ligt een stukgebeten vlammetje. Omstanders beginnen mee te lachen. Het laatste restant objectiviteit vloeit uit me weg en ik trek compromisloos partij voor de meeuw … maar ik houd me rustig … kijk altijd eerst goed om je heen voordat je ingrijpt in heikele situaties … nee … hier zijn geen medestanders te vinden, iedereen heeft op zijn tafeltje wel iets te eten staan … en met een zelfkwellende precisie analyseer ik de consumpties in mijn directe omgeving … een broodje bieslook-roomkaas met kappertjes en avocado … gerookte kip met een huisgemaakte pesto en gemalen cashewnoten … wilt u dat geserveerd hebben met een pistoletje, waldkornbroodje, ciabatta, baguette, vloerbroodje bruin of Italiaanse bol?

Dus houd ik me in, daar op het Waagplein. Ik ben te laf om op een stoel te gaan staan en te schreeuwen hoe hard die meeuw wel niet aan het werk is. Ik zou over Larus willen vertellen. Dat hij helemaal op Texel een nest heeft en dat hij er misschien wel uitziet als een lefgozer, maar dat is uiterlijke schijn. Weet u wel, meneer Biervlammetje, dat Zilvermeeuwen aan het begin van de 20ste-eeuw nog bejaagd werden, dat de eieren werden gegeten en de veren geplukt? Dat ze weliswaar dertig jaar oud kunnen worden, maar gemiddeld de zes jaar niet halen? En dat ze maar een paar eieren leggen die, in de open, kwetsbare nesten die ze hebben, vaak leeggeroofd worden? En weet u, mevrouw Proseccorucola, dat meer dan de helft van de jongen kort na de geboorte sterft, door ondervoeding, predatie, hitte of zware regenval? En dat ze ook nog eens last hebben van vergiftiging, schadelijk afval en vislijnen? Dus, beste mensen op dit terras, ik vraag u vriendelijk deze meeuw niet uit te lachen … ze hebben zichzelf toch niet gemaakt?

Het is beter dat ik vertrek.

In zuidelijke richting verlaat ik de stad en kom terecht op het industriegebied Boekelermeer. Daar maakt Larus, zo zie ik op de kaart, een nieuwsgierig makende lus. Al snel is duidelijk waarom: er ligt hier een groot afvalverwerkingsbedrijf. Achter hoge hekken cirkelen honderden, misschien wel duizenden meeuwen rond. Ik stop bij een aanpalende, brede sloot en tuur naar de gemengde troep watervogels die erop rondscharrelt. Een bordje vertelt me dat ik aan de rand sta van een ‘ecozone’. Verboden te crossen. Om de natuurlijkheid van de desolate groenstrook te verhogen is het pad erdoorheen in een elegante slinger aangelegd. Want natuur is niet recht, maar krom, zullen de natuurontwikkelaars achter hun tekentafels bedacht hebben. Inmiddels is me duidelijk dat er permanent meeuwen heen en weer vliegen tussen de afvalverwerking en de sloot. Kortom, deze voor mensen zo ongezellige, verlaten plek is voor meeuwen juist ideaal: bergen afval gecombineerd met zoet water.

image

Nauwelijks weer op de fiets, houdt een fris en nieuw ogend industrieel complex me staande. Dikkere en dunnere buizen vlechten chaotisch in en door elkaar. Op een bord staat de naam van het bedrijf: Taqa Energy. Hoofdkantoor in Abu Dhabi … de tocht van Larus begint inmiddels hallucinerende proporties aan te nemen. Ineens bevind ik me in de Verenigde Arabische Emiraten! Op het terrein staat een opvallend object: een hoge witte toren, naar boven toe smaller wordend en eindigend in een ongemeen fraaie, getordeerde vorm. Misschien komt het door Abu Dhabi, maar de spiraal doet me denken aan een minaret. Maar er is niets religieus aan deze plek. Volgens het bord gaat het hier om ‘gasopslag’.

Gasopslag?

De wirwar van buizen geeft geen antwoord. Gelukkig valt mijn oog op een aantal gestapelde containers waarin een informatiecentrum blijkt te zijn gevestigd. De deur is op slot, maar een vriendelijke man met witte veiligheidshelm komt naar me toe en laat me binnen. En dan kom ik, dankzij Larus, terecht in de volgende parallelle wereld …

Direct leer ik een nieuw woord, poëtisch en raadselachtig van klank: ‘gasrotonde’. De veiligheidshelm ziet mijn vragende blik en begint met groot enthousiasme te vertellen. Nederland is een logistiek knooppunt van Europees aardgas. Honderden kilometers pijpleidingen uit Groningen, Duitsland, België, de Noordzee, Noorwegen en Rusland lopen door onze bodem, in een ring rondom het IJsselmeer. Vandaar het woord ‘rotonde’. Op een paar plaatsen slaan we in ons land gas op: Grijpskerk, Norg en Zuidwende. Vanaf 2015 gaat dat ook in Alkmaar gebeuren, op 2200 meter diepte, in een verlaten gasveld. Externe partijen kunnen vervolgens opslagruimte huren, gas in de zomer goedkoop aanschaffen en later, als het nodig is, met winst verkopen. Nederland Distributieland. ‘Kortom,’ zegt de witte helm, ‘gegarandeerde levering als het koud is, tegen een gunstig tarief.’ Hij glimt van trots: ‘Dit wordt de grootste gasopslag van Europa, goed voor 4,1 miljard kubieke meter, wat overeenkomt met het gasverbruik van 2,5 miljoen huishoudens!’
Het begint me te duizelen … hoeveel gas verbruik ik eigenlijk? Misschien moet ik even bellen naar Abu Dhabi, of Grijpskerk, of Norg, of Zuidwende …
Ik loop naar het raam en zie weer die fraaie, gespiraliseerde minaret. ‘Waar dient die toren eigenlijk voor?’
‘Dat is een ventiel …’
‘Een ventiel?’
‘Ja … als de druk van het ondergrondse gas te hoog wordt, laten we het ontsnappen in de lucht!’
‘En die spiraalvorm?’
‘Nuttig als het hard waait. De spiraal vangt de wind en laat de toren draaien, waardoor die meer kracht verdraagt. Zo blijft ie mooi rechtop staan!’
De helm komt naast me staan. ‘Mooi ding is het, vind je niet?’
‘Ja,’ vul ik aan, ‘vorm en functie vallen perfect samen … drukken elkaar uit … eigenlijk is de toren … kunst … industriële kunst …’
Ik kijk hem aan, een beetje gegeneerd over zoveel vaagheid. Maar hij knikt instemmend: ‘Ja … mannelijke kunst … pure anti-kitsch!’
We lachen en schudden, ter afscheid, hartelijk elkaars handen.

Op de fiets denk ik na over wat hij me óók nog vertelde: dat bijna de helft van de gasopslag in handen komt van het grootste aardgasbedrijf te wereld, Gazprom. Gevolg is dat de Russen vanuit Nederland gas kunnen gaan verkopen … vroeger of later gaat die gasrotonde problemen opleveren, dat voel je gewoon aan …

Niet lang na Taqa Energy rijd ik weer in het vertrouwde landschap. Slootjes met knotwilgen. Dijken met schapen. Een molen. Al die werelden doorkruist Larus, slim anticiperend op een grote variëteit aan voedselbronnen. En eigenlijk doe ik precies hetzelfde. Want een klein stuk in westelijke richting hoef ik maar van de Imitatio af te wijken om bij E. en A. te komen, in Egmond aan den Hoef. Daar krijg ik een fantastische avondmaaltijd voorgeschoteld. Als beloning vertel ik over Larus en zijn tocht van Texel naar Amsterdam, en terug. Breed spreid ik de kaarten uit met de ingetekende route en vertel over mijn belevenissen. Ze luisteren ademloos. Uiteraard. Want meeuwen zijn geniale verhalenvertellers.



Klik hier voor deel 3
De GPS-track van de Zilvermeeuw is afkomstig van www.vogelhetuit.nl.

Older Posts »