Feed on
Posts
Comments

Omweggetjes

Het ophangsysteem van de TomTom werkte niet in de nieuwe auto. Heel onhandig. Maandenlang lag het navigatiesysteem los op het dashboard. Uiteindelijk, na gammele constructies met dikke elastieken en klittenband, gaf ik het op en probeerde een oplossing te vinden via de website van TomTom. Na wat gezoek bleek ik een Air vent mount kit nodig te hebben, een bevestigingssysteem voor aan het luchtrooster. Wel een belachelijke prijs, voor zo’n stukje kunststof: € 19,95. Maar goed, veiligheid boven alles. Besteld dus maar.

Sneller dan de wind reed de koeriersdienst voor, en stopte voor de deur, met draaiende motor en optimistische muziek die vanachter de opengeschoven zijdeur uit de cabine ontsnapte. Goed dat ik thuis was: er was een handtekening nodig. In een vloek en een zucht spoot het busje weer de straat uit.

Een scherp mes was nodig om de donkerbruine tape te verwijderen. Een bouwpakketje. Maar hoe ik ook drukte, klikte, draaide en sjorde, ik kon de onderdelen niet tot een organisch geheel vormen. Bellen dan maar, naar het TomTom Support Team. Dat wist, na lang zoeken, het antwoord. Ik had een mount kit besteld voor de TomTom one XL en niet voor de TomTom one/XL.

Schuin streepje over het hoofd gezien!

Om de zaakjes te regelen stuurden ze een mail, met een geruststellende aanhef: ‘U hebt onlangs persoonlijke ondersteuning gevraagd aan de klantenservice van TomTom.’ Ik moest op een link klikken, waarna ik op een website belandde. Wel even opnieuw alle gegevens controleren. Daarna drukte ik op submit en verscheen er iets wat ik nog niet kende: een UPS-label. Dat blijkt een verzendetiket met een streepjescode te zijn, gemaakt door een computer. Twee keer moest ik het label uitprinten, één keer voor het terug te sturen pakketje, één keer voor mezelf, ter controle. Vreemd: de ondertekening kwam dit keer niet van het TomTom Support Team, maar van het TomTom Customer Care Team. Zouden er twee aparte afdelingen met hulptroepen bestaan? Hoe dan ook: binnen vijf weken zou ik mijn geld van de Financiële Afdeling terugkrijgen.

De dagen kwamen en gingen. De terugstorting liet nog op zich wachten, maar het contact met TomTom bleef. Zo kreeg ik een mailtje met een exclusieve aanbieding voor een TomTom Fast Track Pack. ‘Waarom zou je je tijd verspillen? Je vindt altijd de snelste route!’ Alleen verkrijgbaar voor de ‘online-klanten’. Nóg meer nieuws: ‘Er zijn zes nieuwe Engelse TomTom-stemmen beschikbaar: een oosterse swami, een stijlvolle socialite, een filosofische gast, een goedgebekte kapper uit Queens, een flamboyante fashionista en een flirtende seksbom – welke excentrieke reisgenoot kies jij?’

Tja.

Later volgde een mailtje met een enquête: ‘We proberen onze producten en services continu te verbeteren, en de beste manier om dit te doen, is door te luisteren naar de mensen die ze daadwerkelijk gebruiken.’

Klinkt logisch.

Daarna een wat vervreemdend mailtje: ‘Wij hebben uw defecte onderdeel/onderdelen ontvangen en wij zijn momenteel bezig deze te testen op defecten.’

Hoe dan ook: ze waren voor me in de weer, daar bij TomTom.

Ruim na de limiet van vijf weken was er nog steeds geen geld teruggestort. Weer gebeld, naar het TomTom Support Customer Care Team, althans dat maakte ik ervan. Een ingewikkeld keuzemenu, de onvermijdelijke wachtrij, ondersteund door reggaemuziek. Eindelijk: een aardige jongen vroeg naar mijn gegevens. Ik hoorde hem kijken naar zijn beeldscherm. Een rasoptimist: ‘Het onderzoek is in progress … nog even geduld … het ziet er allemaal heel goed uit!’

Door zijn vriendelijkheid liet ik me afpoeieren. Niets zei ik over die termijn van vijf weken. Ik hield me in, ook omdat ik me een beetje een sulletje voelde. Het moet als medewerker lachwekkend zijn om iemand aan de telefoon te hebben voor zoiets simpels als een bevestigingssysteem, terwijl ze bij je bedrijf denken in termen van satellieten en interactieve software voor het wereldwegennet. Wat ik eigenlijk nodig had was zo’n ouderwetse winkel in de buurt. Daar staat achter de balie een wat morsige man in stofjas. Hij weet alles, neemt direct je probleem over en stelt de goede vraag: ‘O … dus u heeft een TomTom one XL mét een schuin streepje ertussen?’ Hij loopt naar achteren, rommelt wat en komt terug met een exact passend bevestigingssysteem, en dat ook nog voor een belachelijk laag prijsje.

In de auto keek ik nog eens naar mijn TomTom. Wat een ingenieus, slim en compact apparaatje is dat toch! Eigenlijk is het is méér dan een wegvindertje. Voor mij is de TomTom hét icoon voor onze tijd, waarin alles ‘smart’ moet verlopen … smart … de mantram van de 21e eeuw … specifiek … meetbaar … acceptabel … realistisch … tijdgebonden …nee, niet zómaar smart is de TomTom, hij is volledig smart! Met hem weet je precies wat je intikt en wat je krijgt, op de meter en minuut nauwkeurig. Het apparaatje zou een perfect attribuut kunnen zijn voor die godheid van de oude Grieken: Chronos. Die is de personifiëring van de lineaire tijd, de tijd als een pijl, die je grafisch op een x-as uitgezet, zodat je in één blik verleden, heden en toekomst overziet. Hij staat voor de onomkeerbare, meetbare tijd die je, met een deadline erbij, in je agenda zet. De Grieken vonden Chronos een wrede god, die zijn eigen kinderen opat, wat nog terug is te vinden in een uitdrukking als ‘de tand des tijds’. Chronos doet je beseffen dat je ouder wordt, dat de jeugd voorbijgaat en de eindigheid sluw om een hoekje naar je loert. Hij zegt dat we moeten we opschieten en efficiënt met onze tijd moeten omgaan. Nietsdoen mag niet van Chronos, verveling is bij hem een doodzonde, want een dag telt slechts vierentwintig uur.

Inmiddels is mijn Tomtommetje een manke Chronos. Maar dat heeft ook iets moois, want daardoor ontstaat ruimte voor die andere, bijna vergeten godheid voor de tijd: Kairos. De oude Grieken stelden die polair tegenover Chronos. Hier gaat het niet om de lineaire tijd, maar de cyclische tijd, die als eindeloze rivier rondom de aarde stroomt. Het is de klokloze tijd van het unieke moment dat je kunt grijpen, of niet. Als het je wél lukt kom je voor even in een eeuwigdurend moment van stilstaande, tijdloze tijd, die je ervaart als je door een onbekend landschap zwerft, zonder duidelijk doel, over grillige, onverharde wegen. Het is de tijd waarheen aangrijpende muziek je brengt, de tijd van transcendentie, non-dualiteit, flow, creativiteit en intuïtie. Kairos heeft de eeuwige jeugd en vliegt, voor je het weet, aan je voorbij. In zijn hand draagt hij vaak een mes en een weegschaal: beelden voor het beslissende kruispunt waarop je het lot een wending kan geven. Kairos draagt vaak een lange haarlok op zijn voorhoofd. Dáár kun je hem vastpakken. Maar wees snel en alert, want zijn achterhoofd is kaal. Daar grijp je mis en dan is je kans vervlogen.

Dit is een afbeelding van Kairos, onderdeel van een wandschildering gemaakt door Francesco Salviati, te zien in het Palazzo Sacchetti te Rome:

Dat beeld van Kairos, met die lange, wapperende haarlok, liet me niet meer los. Daarom schrok ik zo, toen ik in de stad rondfietste en op een straathoek een man zag staan. Een opvallende, boomlange, breedgeschouderde verschijning met een grote plunjezak op de schouder. Door zijn kleding oogde hij een beetje als een militair. Waar ik met name van schrok was zijn kaalgeschoren hoofd, op een lange, groenfluorescerend gespoten haarlok op zijn voorhoofd na … Kairos? Ik stopte, deed of ik op mijn telefoon keek en tuurde onder mijn wenkbrauwen door. Hij zag er slecht geschoren uit, had een opvallend rode neus en heldere, diepblauwe ogen. Even keek hij in mijn richting, zonder me aan te kijken, en beende met grote stappen weg. Op gepaste afstand achtervolgde ik hem. Een atypisch figuur. Consequent liep hij links op de stoep, waardoor de mensen moesten uitwijken, en hij neuriede hard een onduidelijk liedje. Op een kruising klampte hij een vrouw aan die naar een pand in de verte wees. In de portiek rookte hij een sigaretje, duwde tegen de deur, die niet op slot was, en verdween naar binnen. In het voorbijgaan las ik het bordje naast de deur. De tekst verbaasde me niet: Inloophuis voor Daklozen. Daar woont Kairos dus in onze tijd, dacht ik. Vreemd eigenlijk, want naar hem verlangen we het meest. Nee, Chronos zal je daar niet zien, want die is onderweg, over kortste en snelste weg van A naar B.

O ja. Die TomTom. Nee, geld nog steeds niet binnen. Overigens: een nieuw bevestigingssysteem ga ik niet bestellen. Eigenlijk is het wel leuk hoe hij halfvast op het dashboard staat, ingeklemd tussen een raamsponsje en een leeg snoepdoosje, en ik kom nog steeds exact op tijd aan. Af toe rolt hij om, maar dat is niet erg, want dan kijk ik in de achteruitkijkspiegel en zie de gevleugelde Kairos met zijn wapperende voorhoofdslok … hij knipoogt en maant me langzamer te rijden en omweggetjes te nemen!

Waarheid

Het zijn inmiddels gevleugelde zinnen: vleeseters zijn egoïstischer dan vegetariërs. Of: criminaliteit ontstaat in een rommelige omgeving. Uitspraken gebaseerd op gefingeerd onderzoek door de (ex-)hoogleraar sociale psychologie Diederik Stapel. Meer dan dertig publicaties verzon hij en dat is een doodzonde: de wetenschappelijke wereld heeft hem uit het nest geduwd.

Zijn motieven blijven vooralsnog onduidelijk. Is hij gezwicht voor competitiedruk, publicatiedrang, ambitie, ijdelheid? Toch voelt het als te gemakkelijk om hem zómaar, in ieder geval als mens, te veroordelen. Als ik diep in mezelf graaf, en voorbij mijn politiek correcte gevoel ga, dan begrijp ik hem wel. Want hoe schoon zijn mijn eigen handen eigenlijk? Zou ik de eerste steen kunnen werpen?

In denk terug aan mijn eerste fraude: afzwemmen. Amsterdam, het Zuiderbad. We moesten watertrappelen, maar mijn spieren hielden er bijna mee op. Toen voelde ik een touw, waarop ik mijn voeten zette. De badmeester merkte niets. Zo haalde ik mijn diploma. Liever fraude plegen, dan thuis moeten vertellen dat je bent gezakt.

Een ander voorbeeld. We maakten de Cito-toets. Mijn klasgenoten waren fanatiek aan het werk, maar ik droomde alleen maar, staarde door de hoge schoolramen naar de donkere, dreigende lucht, de kolkende wolken, luisterde naar de striemende wind. Gelukkig zat Jan voor me, het braafste en slimste jongetje van de klas. Op een gegeven moment leunde hij met een elleboog opzij en legde zijn hoofd op een hand. Pagina na pagina kon ik zijn antwoorden zien en nam ze over. Zonder Jan had ik waarschijnlijk een ander schooladvies gekregen …

Ook heb ik anderen uitgelokt om te frauderen. We hadden een proefwerk. Topografie. Juf wees steden, zeeën, gebergten en rivieren aan op die prachtige uitrolkaart van Europa. Kees, die naast me zat, leerde moeilijk. Hij zuchtte en keek me wanhopig aan. Subtiel schoof ik mijn antwoordenvel in zijn richting. Hij haalde een goed cijfer. Nog zie ik zijn brede, glunderende lach. Eindelijk een compliment van de juf!

Later, tijdens mijn studie, hebben we wel eens resultaten van biologische experimenten gladgestreken. Want dan waren we sneller klaar en de grafieken liepen mooier. Er is ook wel eens druk op me uitgeoefend om onderzoeksresultaten mooier voor te stellen. Publish or perish, werd me verteld … publiceer of verdwijn. Maar hele onderzoeken verzinnen, zoals Stapel deed, is me nooit gelukt. Daar moet je namelijk heel intelligent voor zijn. Probeer het maar eens: vanuit ideale conclusies terugdenken naar onderzoeksresultaten en een bijbehorend experiment ontwerpen … een ingewikkelde klus. Zo maakte Stapel wetenschap tot fictie, tot verbeelding, tot kunst. Wat een eenzaam proces moet dat geweest zijn …

Over kunst gesproken … in de krant zag ik een foto van Stapel, gemaakt op zijn werkkamer, nog in de ‘goede’ tijd. Het is een aangrijpend beeld. Hij kijkt je recht aan, met een zelfverzekerde, licht spottende blik. Een gearriveerde man. Vaag op de achtergrond, maar duidelijk herkenbaar, hangt een reproductie aan de muur. Onmiskenbaar het vijftiende-eeuws fresco van de Italiaan Fra Angelico (zie de foto bovenaan). Het gaat om een thema dat veel in de kunstgeschiedenis voorkomt, de zogenaamde annunciatie, dat wil zeggen: de verkondiging door de aartsengel Gabriël aan Maria dat ze een kind zal krijgen. Fascinerend dat Stapel juist deze reproductie voor zijn werkkamer uitkoos … wat een innerlijke spagaat! Aan de ene kant die ijle, kwetsbare afbeelding, gemaakt door een man waarvan bekend is dat hij zich bescheiden en dienend opstelde. Aan de andere kant al die wetenschappelijke fabulaties en de keiharde publieke terechtstelling. Het volgende beeld laat me niet los: Stapel die ’s ochtends zijn werkkamer binnenkomt en naar de annunciatie kijkt.

Wie het fresco in het echt wil zien moet afreizen naar een voormalig klooster in Florence, nu het wonderschone San Marco Museum. Angelico verbleef daar tussen 1436 en 1445. In die tijd heerste de Medici’s over de stadsrepubliek. Deze puissant rijke familie maakte een vloed aan kunst, architectuur en literatuur mogelijk. Eén van de Medici’s, Cosimo, gaf aan Angelico de opdracht om in het klooster de verblijfplaatsen van de monniken te verfraaien met fresco’s. Het meest bekende voorbeeld, ook door Stapel uitgekozen, is te zien in het trappenhuis. Ineens, als je omhoog loopt, sta je oog in oog met de zachte pasteltinten. Links zie je de schrijdende (of zwevende?) aartsengel. Maria staat rechts. Een mooie oefening voor ons hedendaagse, nuchtere bewustzijn: stel je eens voor dat een onzichtbaar wezen op je afkomt en onhoorbaar iets onzegbaars aan je duidelijk maakt. Dat heeft Angelico in een enkel beeld willen uitdrukken.

Nu leefde, tientallen jaren na Angelico, in hetzelfde San Marco klooster een fascinerende man, die er jarenlang prior was: Girolamo Savonarola. Zonder twijfel heeft hij de annunciatie van Angelico gezien. Dit is zijn indringende portret, geschilderd door Fra Bartolomeo:

Het afgewende gelaat van Savonarola zit vol tegenstellingen. De volle, bijna sensuele lippen, de grote, naar beneden wijzende neus, de licht verbaasde blik, de over zijn hoofd getrokken, zwarte monnikskap. De ideeënwereld van Savonarola was compromisloos en ging tegen de tijdgeest van de Renaissance in. Hij was antimodernist, hield boetepreken, had visioenen, hoorde stemmen, organiseerde boekverbrandingen en liet kunstwerken vernietigen. Feitelijk was hij nog een middeleeuwse ziel, een boeteprediker die in de Apocalyps geloofde. Tegenwoordig zouden we hem een fundamentalistisch christen noemen. De botsing met het verlichte denken van de Medici was onvermijdelijk. Maar de charismatische persoonlijkheid van Savonarola had een grote invloed op de Florentijnen. In 1494 moesten de Medici de stad zelfs verlaten. Na vier jaar konden ze terugkeren. Savonarola werd gevangengenomen. Na martelingen legde hij een bekentenis af. Het oordeel luidde: ketterij. Hij werd opgehangen en verbrand, in het hart van de stad, op het Piazza della Signoria.

Zowel Stapel als Savonarola hebben de annunciatie van Angelico van dichtbij ervaren. Beiden moeten iets gevoeld hebben van de diepere betekenis: het middelpunt van het fresco ligt niet bij Gabriël, noch bij Maria, maar tussen hen in. In de overlap van deze polariteiten, in het midden, ontstaat iets nieuws. Uit twee ontstaat drie. De annunciatie is daarmee een oerbeeld voor de dialoog, die de kracht heeft om fundamentalistische of onware waarheden te overwinnen. Daarom laat dat beeld van Stapel, die zijn werkkamer binnenkomt en Angelico ziet, me niet los. Daarom zie ik Savonarola voor me. Hij loopt de trappen van zijn klooster op, langs het fresco.


Amsterdam. Eén van de laatste nazomerdagen van 2011. Tramlijn 2. Een vrouw schreeuwt in haar telefoon dat ze ‘op de Koninginneweg’ zit en verbreekt de verbinding.
Het meisje van een jaar of vijf, in het bankje pal voor me, heeft de kreet gehoord, en vraagt aan haar moeder: ‘Woont hier de koningin?’
‘Ja … kijk maar … daar!’ Zonder een spoor van aarzeling wijst ze naar een statig pand.
De mond van het meisje valt open. ‘Wat een mooi huis!’ zucht ze.
‘Ja … mooi, hè?’ bevestigt de moeder, die de grenzeloze verbeeldingskracht van kinderlogica kent.
‘Het is een écht paleis!’ zegt het meisje, met een stralende glimlach.

Na een overstap arriveer ik op de Boelelaan, een rommelig ogende straat, aan de rafelrand van Amsterdam, parallel aan de ringweg A10 en dichtbij station Zuid. De straat is onderdeel van de Zuidas, dat internationale zakencentrum op de duurste grond van Nederland. Banken zijn er gevestigd, het World Trade Center, een vloed aan advocatenkantoren en, aan de Boelelaan, de Vrije Universiteit en het VU Medisch Centrum. Als een hongerige amoebe stulpt het grootschalige bouwproject zich om de laatste restjes nog braakliggende grond heen.

Al jaren kom ik op de Boelelaan, maar nooit merkte ik iets van de tuin die er is gevestigd. Ineens, met het rooien van struiken en bomen, nodig voor de uitbreiding van het ziekenhuis en het verlengen van de trambaan, ligt ze daar, open en bloot. Zo dicht langs de weg en de omringende hoogbouw, oogt ze kwetsbaar. Nóg iets trekt mijn aandacht: aan het hek van de tuin hangt een bord met de cryptische naam van een website erop: www.logolengte.nl.

Later die week kan ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en loop de tuin op. Het blijkt te gaan om de Dr. L. Alma schooltuin. Best een groot complex. Lesgebouw, kas, kippen, konijnen, bijenkasten en natuurlijk de tuintjes: honderden groot uitgevallen postzegels, elk gemarkeerd met vrolijke, door de basisschoolleerlingen beschilderde bordjes. De tuin oogt weelderig. Pompoenen. Zonnebloemen. Datura’s. Koolsoorten. Een jongetje, op zijn knieën, knipt herfstbloemen.
‘Zelf gekweekt?’ vraag ik.
Hij kijkt me met een ondeugende blik aan, veegt de aarde aan zijn broek af en tovert dezelfde soort glimlach als het meisje uit de tram. Het is de lach die je ook ziet bij een kind dat de eerste stapjes zet, en de overtocht maakt van het ene stel gespreide armen naar het andere. Er zit overwinning in die lach, onvoorwaardelijke durf, zelfbevestiging, de compromisloze wil om te leven.

Ik loop naar de picknicktafels waar kinderen hard aan het werk zijn. De juf staat er ontspannen bij. Ze hoeft niets te doen, met al die zelfsturende leerlingen. Met uiterste precisie prikken ze de geplukte bloemen in vochtige brokken oase. Het klasje snort van genoegen, babbelt over niets in het bijzonder en is, ik zie het pas in tweede instantie, volkomen multicultureel. Ik denk aan Nasrdin Dchar, met zijn ‘fokking Gouden Kalf’. Hier zit de toekomst van de stad, van het land. Hier zit een kudde gouden kalveren, met de tongetjes in hun mondhoeken. Je ziet ze al thuiskomen, de bloemstukjes vooruitgestoken in de hand, met die speciale glimlach om de mond.

Verderop klamp ik een medewerker aan. Een man van middelbare leeftijd, in een tuinpak. Terwijl een traumahelikopter lawaaierig landt op het dak van het ziekenhuis, vertelt hij over de tuin. Dat die over een jaar of twee weg moet. Dat ze wel een nieuwe plek krijgen, maar die is verder weg en of de scholen dan nog blijven komen, dat is de vraag. ‘En dat zou jammer zijn. Want die kinderen moeten al zoveel, zo jong als ze zijn. Hun hoofden zitten vol met theorie. Ze worden klaargestoomd voor de Cito-toets, maar met hun handen doen ze niets meer. Ze tekenen niet meer, bewegen te weinig.’ Mijmerend kijkt hij uit over de tuin: ‘Later, als ze groot zijn, weten ze niet meer precies wat ze hier gedaan hebben. Maar de tuin kennen ze nog wel, door de gevoelens die ze er beleefd hebben!’

Ik loop naar de rand van de tuin, waar ik het bord met de website heb zien hangen. Het ernaast liggende gebouwtje, de voormalige dienstwoning van de tuinbeheerder, met nonchalante letters aangeduid als ‘lab’, is gesloten. Via internet kom ik in contact met een kunstenares, Irene Janze. Ze nodigt me uit zodat ik twee dagen later weer op de tuin ben. Ik spreek haar in de dienstwoning die ze, tot aan de sloop, mag gebruiken als atelier en tentoonstellingsruimte. Janze vertelt fascinerende, achter de Zuidas verborgen verhalen die ze incorporeert in haar kunstwerken.

Eén van haar verhalen is het volgende.

Binnen de chaotisch ogende Zuidas zocht Janze naar oriëntatiepunten. Ze koos voor de logo’s van bedrijven en instituten die er zijn gevestigd. In het bijzonder bestudeerde ze het logo van de Vrije Universiteit: de Griffioen, een gevleugeld mythologisch dier met leeuwenlichaam en vogelkop. In haar zoektocht stuitte ze op een coïncidentie. Het bleek dat de universiteit, voor haar eerste vestiging, land had opgekocht van een boer met dezelfde naam. Op het spoor gekomen van deze Jan Griffioen, vroeg ze zich af wat voor bodem hij bewerkte. Afgegraven veen. Maar waar komt dat dan weer vandaan? Hier moest ze een sprong maken in de tijd, naar het geologische tijdvak Saalien (200 000 tot 130 000 jaar geleden), toen het Scandinavische landijs ook Nederland bereikte (grofweg tot de lijn Haarlem-Nijmegen). Eén van de gletsjerlobben eindigde waar nu de Zuidas ligt. In de periode van opwarming na de ijstijd bleef een bekken achter, omringd door stuwwallen en, naar de kust toe, strandwallen. Dat bekken, met slecht doorlaatbare bodem, vulde zich met smeltwater. Daarin ontstond een moeras waarbinnen zich veen vormde. En zo zijn we weer terug bij boer Griffioen.

Ik struin over de Boelelaan, in de richting van de Vrije Universiteit. Het beeld van de honderden meters dikke gletsjer laat me niet meer los. Het lijkt of de stenen onder mijn voeten anders aanvoelen. Ik stop tussen het hoofdgebouw en de tegenoverliggende sportvelden. Er wordt hard gewerkt aan de verlenging van de tramlijn. Een graafmachine verplaatst zand, een man slaat met een moker op de nieuwe rails, die nog niet in beton is gegoten. Een andere man duwt, vrolijk fluitend, een kruiwagen voor zich uit. Erin ligt een geluidsinstallatie en twee grote luidsprekers. Hij drukt op een knop. Dreunende bassen, een slepende melodie. Schlagermuziek.

Hé, wil jij met mij vanavond gaan dansen?
Ja, lekker samen, zo fijn met z’n twee?

Wonderlijke plek, die Zuidas.

Ik kijk naar de sportvelden en duikel in een jeugdherinnering. Hier voetbalde ik ooit, bij de pupillen van ASV Arsenal. Eén wedstrijd herinner ik me als de dag van gisteren. We speelden tegen Ajax en waren bang … Ajax … toch stonden we in korte tijd met 2-0 voor. Maar toen werden ze boos, die arrogante jochies van Ajax, want ze voelden zich superieur aan dat eenvoudige cluppie. Uiteindelijk werd het 2-5, de enige uitslag die ik heb onthouden … ik loop naar het veld toe … kunstgras. Hier niet de geur van plat- en stukgetrapt gras, die ik me zo scherp herinner. Zelfs het voetbalveld is van de bodem afgesloten, geheel in de stijl van de Zuidas, waar alles naar de hemel wil reiken. Alleen de kinderen op de tuin en die kunstenares lijken te weten van de bodem. Zij hebben voor mij het beeld van de Zuidas (of moeten we zeggen ‘IJsas?’) definitief veranderd. Als ik nu op de Boelelaan loop zie ik geen rommelige, ongezellige weg, maar langzaam kruipend, stuwend gletsjerijs met een kudde gouden kalveren erop.

Met een geheimzinnig gebaar overhandigde W. me de enveloppe. Ik schrok een beetje, toen ik de foto (zie boven) eruit haalde: de plant die zich al jaren voor me verborgen wist te houden! Stofzaad. Monotropa hypopitys, wat vrij vertaald betekent ‘die onder de dennen alleen staat gebogen’. W. vertelde dat hij de foto zo’n dertig jaar geleden had gemaakt (vandaar de wat verschoten kleur), op het landgoed Koningshof bij Haarlem. Maar daarna had hij de plant ook niet meer gezien. Verwonderlijk is dat niet, want ze staat op de Rode Lijst te boek als ‘bedreigd’. Twee jaar geleden probeerden W. en ik haar met vereende krachten te vinden, ook weer op Koningshof. Tevergeefs (klik hier voor het verhaal over die zoektocht). Stofzaad bleef die grote, niet-ingeloste belofte.

Vorige zomer, eindelijk, leek de queeste ten einde, in de indrukwekkende botanische van Berlijn. Ineens, onder hoge bomen, leken er tientallen exemplaren te staan. Ik hoor mezelf nog euforisch roepen: ‘Stofzaad … Stofzaad!’ Maar de waarneming bleek een typische combinatie van wishful thinking en belabberde kennis. Het was geen Stofzaad, maar Bremraap. Zo zie je maar hoe vooringenomenheid de waarneming kan kleuren. Overigens heb ik deze aanfluiting pas in tweede instantie aan W. durven bekennen.

Door de foto van W. ben ik toch maar weer eens in de literatuur gedoken. Daarbij stuitte ik op een heruitgave van een boek uit 1905, van de grote Jac. P. Thijsse. Prachtige, archaïsche titel: Omgang met planten. Er staat een apart hoofdstukje over Stofzaad in! Trouwens wel confronterend om de ‘voorrede’ van het boek te lezen. Daarin zegt Thijsse dat hij gaat schrijven over ‘een vijftigtal gewone wilde planten’. Dan blijkt maar weer hoe Nederland in een eeuw tijd is veranderd. In honderd jaar tijd kun je blijkbaar uitgroeien van ‘gewoon’ naar ‘bedreigd’ … maar laten we niet teveel somberen … Stofzaad blijft die unieke, zonderlinge grensganger!

Het meest opvallende is dat de plant geen bladgroen bevat. Wit is ze, wasachtig wit, soms een beetje bleekgeel. Kortom: ze doet niet aan fotosynthese en vormt dus niet zélf haar organische stoffen (suikers). Die verkrijgt ze via een ingewikkelde driehoeksrelatie met een schimmel en een boom. Laten we beginnen bij de boom. Vaak gaat het om dennen, maar ook beuken. Om de wortels van de boom groeien schimmeldraden. De boom, die wel aan fotosynthese doet, geeft een deel van de gevormde organische stoffen aan de schimmel, omgekeerd levert de schimmel mineralen aan de boom. Een prachtige vorm van symbiose, met wederzijds voordeel! Maar Stofzaad gaat verder: haar wortels zoeken contact met de schimmeldraden en halen daaruit de suikers, die uiteindelijk afkomstig zijn van de boom. Zo vormt de schimmel een bruggetje tussen de boom en Stofzaad. Een plantaardige ménage à trois!

Natuurlijk was ik blij met de foto. Maar tegelijkertijd legde die ook een vinger op de zere plek: ik had Stofzaad immers nog nooit in levende lijve ontmoet. En W. wel. Zo blijken planten in staat te zijn om jaloezie op te wekken. Daarom bleef ik maar neuzen in de literatuur, onder andere op de site waarneming.nl. Voor de zoveelste keer tikte ik ‘stofzaad’ in het zoekvenster … niet te geloven … nota bene op een paar kilometer van huis was ze gesignaleerd, niet ver van Koningshof, op het landgoed Elswout. Wat een schurk, dacht ik, die Stofzaad. Ik moest denken aan Karadžić, die jarenlang doodgewoon in een buitenwijk van Belgrado had gewoond, en aan Osama Bin Laden, naast een legerbasis. Je moet wel lef hebben, als plant, om je zó dichtbij te verbergen!

De site meldde de naam van de vinder. Na enig gegoogle vond ik zijn gegevens. Ook hij bleek in de buurt te wonen. Ik waagde er een mailtje aan … snel volgde een antwoord … raak! En het mooiste was: hij wilde de vondst met me delen. Ik kreeg een routebeschrijving.

Twee dagen later was het zover. Ik zou Stofzaad gaan zien. M. ging mee, want die houdt ook van plantjes. We fietsten naar het Elswout. Het was een mooie dag en ik raakte overmoedig, want bijna stond ik oog in oog met Hare Koninklijke Zeldzaamheid! Ik orakelde maar door tegen M., over al die bijzonderheden van Stofzaad. Maar ze luisterde niet echt. Dat is het nadeel van intellectuele kennis, die gaat het ene oor in en het andere uit. ‘Eerst zien, dan geloven’ zei ze, heel wijs.

Zwijgend liepen we de toegangspoort door, het fraaie landgoed op. Maar welke rondjes we ook liepen en welke zijpaadjes we ook namen: geen Stofzaad. Uiteindelijk moesten we op onze schreden terugkeren. Ik liep leeg als een ballon. Weer terug bij de poort kwamen we ook nog eens terecht in een bruidsreportage. Ja, daarom ga je naar Elswout, voor mooie foto’s van de mooiste dag van je leven, niet voor een fantoom als Stofzaad. De fotograaf vroeg de bruidegom een champagnefles te ontkurken, wat met een luide knal lukte. De bruid gaf een hoog, kirrend gilletje, de camera klikte als een mitrailleur en wij verlieten het Elswout, met lege handen.

Op de fiets dacht ik aan Thijsse, hoe hij te werk ging tijdens zijn tochten. In Omgang met planten zegt hij het zo: ‘Ik kies mijn observaties zó, dat ik op een stuk of vier verschijnselen tegelijk kan letten en niet zelden maakt een gunstig toeval dan het half dozijntje vol.’ Ja, zo pak je dat aan. Waarneming vraagt om inspanning, en inspanning leidt tot beloning. Wat ik deed was zappen, meeliften op de arbeid van iemand anders. Dat kan nooit goed gaan. Op de fiets probeerde ik mezelf met een grapje in te dekken: ‘Stofzaad zijt gij, tot Stofzaad zult gij wederkeren!’ M. kon er niet om lachen.

Ik wilde die dag nog veel doen, maar het tempo kwam er niet meer in. Dit had de Dag van het Stofzaad moeten worden. Maar Stofzaad was er niet. Sofzaad. Na wat getreuzel durfde ik toch het toch aan, en pakte de telefoon. Nogmaals belde ik mijn informant. Direct kwam hij met een aanbod: hij wilde wel naar het Elswout komen!

Een half uur later schudden we elkaar de hand. Zo zie je maar: planten kunnen niet alleen jaloezie opwekken, maar evengoed mensen met elkaar verbroederen. Alleen daarom al zijn planten zo onmisbaar. We zetten de pas erin … en passant wees hij me op nog meer bijzonderheden, maar het ging natuurlijk om Stofzaad … eindelijk … daar stond ze … helemaal in haar eentje … ik weet dat het pathetisch klinkt, hysterisch, monomaan, monodwaas … maar ik moest vechten tegen de tranen in mijn ogen.

Thuis, na terugkomst, pakte ik Thijsse er weer bij. Wat schreef die oervader van de natuurbescherming toch mooi en bevlogen, en wat had hij gelijk: ‘Iedere wandeling kan ertoe bijdragen, de mensheid wat dichter bij de bloemen te brengen.’

 

Spruitgroenten

Voor me, in de tram, zaten twee smoezelig uitziende mannen. Beiden hadden een pluizige, grijze baard en droegen het haar in een paardenstaart. De linker sprak op euforische toon. ‘Echt waar … planten reageren op je gedachten!’ Hij vertelde over een doorgesneden appel. ‘Tegen de ene helft heb ik gevloekt, tegen de andere lieve woordjes gesproken.’
De rechter man lachte schamper. ‘En … wat was het resultaat?’
‘De vervloekte appel werd sneller bruin!’ zei de linker, op licht dreigende toon.
‘Ja … ja …dat zal wel … maar volgens mij heb je hem gewoon ondergespuugd en is ie daardoor gaan rotten!’
‘Jij gelooft ook niks hè?’
‘Nee, inderdaad … zou je ook moeten doen … naïeveling!’
‘En jij bent een twijfelaar!’
Drie haltes zwegen ze en stapten uit.

’s Avonds, thuis, dunde ik een boekenkast uit en stootte, toeval of niet, op een vergeeld exemplaar van The secret life of plants van Peter Tompkins. Ik bladerde wat door het boek … ideale literatuur voor de baardman met de bruine appelhelft! Leven beïnvloedt leven, dat is de boodschap van het boek, en dat zou ook gelden voor de gedachten, de intenties, die we naar planten laten uitgaan. Eigenlijk oud nieuws, dat in allerlei gedaantes steeds weer terugkeert. Denk maar aan het recente werk van de Japanner Masara Emoto, die de invloed van gedachten op de vorm van waterkristallen heeft onderzocht.

In de loop van de week verdwenen de paardenstaarten uit mijn gedachten, tot de zaterdag erop. In het tuincentrum waar ik rondliep, viel mijn oog op een stapel schattige doosjes, elk gevuld met sterrenkerszaden en een biologisch afbreekbaar kweekbakje. Ineens zag ik het experiment voor me. Twee bakjes met zaden onder indentieke omstandigheden. Het ene bakje zou ik gaan bombarderen met negatieve gedachten, het andere pamperen met positieve gedachten.

Thuis wilde ik direct aan de slag, maar de kandidaten voor de positieve en negatieve gedachten vielen stuk voor stuk af. Zo visualiseerde ik onder andere de schimmels onder in de groenbak, de glimlach van staatssecretaris Halbe Zijlstra en een door een auto geplette egel. Maar telkens kropen, door gaten en kieren, tegenovergestelde gedachten naar voren. Zo werd de zomerse, in mild licht badende zee verstoord door het irritante geronk van een reclamevliegtuigje. Kortom: het lukte me niet een boedelscheiding te maken tussen positieve en negatieve gedachten. En laten we eerlijk zijn: is er ook werkelijk een verschil te maken tussen goed en kwaad? Tussen mooi en lelijk? Alleen cabaretiers lukt zoiets, of types als Geert Wilders.

Zo kwam het dat de zaadjes dagenlang lagen te wachten. Ten einde raad stelde ik een deadline vast. In het eerstvolgende weekend, op zaterdag, zou het besluit over positief en negatief gaan vallen. Dat is het beste: als je zelf geen keuze kunt maken, laat het leven dat dan doen.

Zo gezegd, zo gedaan.

De zaterdag brak aan. Die dag fietste ik van Haarlem naar Amsterdam en forceerde mezelf vóór aankomst, bij het bord van de bebouwde kom, een beslissing te nemen. Vrij snel, ongeveer op de helft van het tochtje, onder het viaduct van de A9, presenteerde zich een potentiële, positieve kandidaat. Tegen het talud van de snelweg groeide een plukje klaprozen naast een bloeiende vlier. Een prachtig stilleven, zeker binnen de context van de rokende snelweg en de dalende vliegtuigen naar Schiphol. Maar mijn enthousiasme vloeide weg … een te kitscherig beeld … zoiets als het zigeunermeisje met een traan op haar wang …

Op de pedalen!

In Halfweg reed ik intuïtief het Handelspark Halfweg in, een industrieterrein ingeklemd tussen de snelweg en de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder. Geen mens te bekennen, zo in het weekend. Een ongezelliger plek is bijna niet denkbaar … goede kandidaat voor een negatieve gedachte! Trouwens: fascinerend welke bedrijven er zijn gevestigd … sleep- en takeldienst Vrolijk … H. Krott, sportprijzen, medailles en bekers … Bosman, Delfts Blue Giftware …

Ik reed door in de richting van de Ringvaart en sloeg een hoek om. Vanuit het niets snelde er iets op me af … een elektrisch zoemende modelauto … op een meter of vijftig afstand stond de eigenaar, met een zwart bedieningspaneel in de handen.
‘Sorry!’ riep hij verontschuldigend.
‘Geeft niet!’
Ik stapte af en liep naar hem toe, fiets aan de hand. ‘Mooi ding is dat!’ zei ik, met geveinsd enthousiasme. Ondertussen inspecteerde ik het model. Vier reusachtige wielen met een kleine cabine bovenop.
Dat is een monstertruck!’ zei hij triomfantelijk.
Ik schatte de man in. Een jaar of veertig. Beetje haveloos. Klein van stuk, al een aardig buikje. Kaal hoofd, snor en slordige ringbaard. Zwart T-shirt met het woord crew erop, afgezakte spijkerbroek, versleten sportschoenen. De sigaret in zijn mondhoek brandde niet.
‘Echt een superding!’ vervolgde hij. ‘Radiografisch bestuurd … elektrisch aangedreven … weet je hoe hard hij kan?’
‘Vijftig?’ Naar mijn gevoel schatte ik te hoog in.
‘Nee … tachtig!’ Ter illustratie liet hij de truck een moment hysterisch loeien.
‘Wow!’ hoorde ik mezelf zeggen. Wat had ik graag een foto van het tafereel genomen: de man op het uitgestorven industrieterrein, de monstertruck aan zijn voeten en de Ringvaart als achtergronddecor!
‘Mijn vrouw vindt het niets …’
‘Iedereen zijn eigen hobby!’ zei ik, in een poging hem te ondersteunen.
‘Daar zit ze …’ Hij wees naar de oever, waar een vrouw op een klapstoeltje zat. Voorovergebogen tuurde ze naar de twee hengels die met hun toppen in het water lagen. ‘Ik rijd met mijn truck … en zij vist …’ Hij knipoogde. ‘En nu opgelet, dan zal ik je iets laten zien … deze truck stuurt perfect … vierwielaangedreven … door die megawielen kan hij alles … zoals … bijvoorbeeld … naar mijn vrouw rijden!’
Zonder moeite nam de truck op de hoge stoeprand. Ook het hobbelige gras was een fluitje van een cent. Op een meter of tien van haar af, zette hij de truck stil.
Ze keek op.
‘Over een kwartiertje is de koffie klaar!’ schreeuwde hij.
Ze lachte en zwaaide.
‘Ja … dat is mijn vrouw!’ zei hij met onverholen trots.

We babbelden nog wat en namen afscheid.

Het besluit was gevallen! Ik koos voor de man en zijn liefde voor monstertruck en vrouw. Helaas wilde een geschikte negatieve gedachte niet ontstaan. Maar als de nood het hoogst is … de redding kwam van B., die me een SMS stuurde. Hij had op het treinstation een vieze cappuccino gekocht en zat in een coupé tegenover een man die zijn nagels knipte …

De volgende dag, zondagavond laat, zette ik dan eindelijk het experiment in. Ik assembleerde de twee kweekbakjes en scheurde het eerste zakje met zaden open … gek … geen sterrenkers, maar linzen. Blijkbaar had ik in het tuincentrum niet goed op de verpakking gekeken. Maar niet getreurd, dacht ik, dan maar linzen, wat maakt het ook uit … water erbij … en in opperste concentratie bestookte ik het ene bakje met vies cappuccinoschuim, gelardeerd met afgeknipte nagels. Het andere bakje ontving de liefdevolle blik van de man.

De volgende dagen herhaalde ik mijn gedachte-experiment tientallen keren, niet alleen zittend tegenover de kweekbakjes, maar ook op afstand. Inmiddels verschenen de eerste wortel- en stengeltopjes. Opvallend was dat de beelden die ik uitzond gaandeweg in intensiteit groeiden. In de cappuccino dreven nu ook teennagels en de man begon er steeds jonger en sterker uit te zien.

Vier dagen na de start van het experiment sloeg ik de ochtendkrant open. De EHEC-affaire. Niet de komkommers waren de schuldigen, noch de tomaten. De spruitgroenten hadden het gedaan. Taugé. Rode bieten. En, alsof de duvel ermee speelde: linzen. De magie van het experiment smolt onder me weg. EHEC legde een grauwsluier over beide kweekbakjes.

Een week na het begin van de proef waren de linzen nog maar matig ontwikkeld, veel minder dan de fabrikant in de handleiding beloofde. En, belangrijkste punt: er was geen verschil tussen de bakjes. Toch was er, weliswaar op ander gebied, wel iets veranderd. Het beeld van de teennagels in het koffieschuim was verdwenen, ook de monstertruck was nergens meer te bekennen. De Ringvaart was uitgegroeid tot een brede, meanderende, kraakheldere rivier, met weelderige bomen op de oevers. Vissen sprongen uit het water omhoog, vogels scheerden over het oppervlak. Het heuvelachtige landschap aan de overkant baadde in gloeiend avondrood. De vrouw kwam aanlopen. Ze pakte haar man bij de hand en leidde hem binnen in een ommuurde tuin. ‘Kijk!’ zei ze tegen hem. ‘Wat staan onze groenten er mooi bij!’

Hoopvol gingen we erheen, naar de woonboulevard in Beverwijk. Maar eenmaal op de brede weg door het industriegebied, wisten we het: dit gaat niets opleveren. Geen nieuwe bank. Niet bij Sanders Meubelstad, niet bij Lederland of Piet Klerkx Woonexpress, noch bij Stoutenbeek Wooncentrum, of bij Gaaf Woonoutlet en Supermeubel.

Tegen beter weten in betreden we het eerste pand. Er klinkt muziek. BLØF:

Alles is liefde,
voor wie nog durft te dromen,
voor wie stilletjes verlangt,
voor hem, voor haar, voor mij …

Middenin de showroom, ingebouwd in de vloer, pronkt een forse vijver. Traagzwemmende, sierlijke koikarpers. Bijna zou je de collectie bankstellen vergeten. De verkopers, zo te zien twee studenten met een bijbaantje, ogen ongeïnteresseerd. Ze kijken liever naar het muziekfilmpje op hun iPad. Alleen als we weggaan, groeten ze. Zo, die zijn opgehuppeld, zie je ze denken.

Op naar het volgende pand. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Ook hier weer een hallucinerende collectie meubilair. In het doolhof van ruimtes, hoeken en nissen is geen mens te bekennen. Uit het systeemplafond lekt een zangstem die zich als een bloedzuiger aan me vastklampt … Glenn Miller:

Will this be moon love,
nothing but moon love?
Will you be gone when the dawn comes stealing through?

Opgejaagd door de melodie doorkruisen we in hoog tempo de zalen. Je loopt wat af op zo’n meubelboulevard, snel toch al een paar kilometer! Misschien is dat wel het concept: laat de klanten lopen tot ze niet meer kunnen. Observeer het moment waarop ze, murwgebeukt, capituleren. Bied dan de koffie aan, om het laatste verzet te breken. Teken vervolgens de contracten.

Daarom dit advies: blijf altijd in beweging op meubelboulevards. Ga nooit zitten!

Onderweg naar de volgende woonreus pruttelt Glenn Miller nog na. Waaraan doet die melodie me toch denken? Ik wrik wat aan de noten, waardoor een ander melodielijntje ontstaat … in een schok dringt het tot me door … een fragment uit de Achtste symfonie van Gustav Mahler! Om precies te zijn: uit het tweede deel waar de bariton pathetisch zingt:

Ewiger Wonnebrand,
glühendes Liebesband,
siedender Schmerz der Brust,
schäumende Gotteslust,
Pfeile, durchdringet mich,
Lanzen, bezwinget mich …

Zo zie je maar, het kan verkeren in het leven. Ineens zit ik weer in het Amsterdamse Concertgebouw, tijdens die gedenkwaardige uitvoering van de Achtste, alsof het weer 6 maart 2011 is. Wat een uitvoering! Jarenlang liep ik in een boog om dit monstruoos grote werk heen … nee, zo hoor ik mezelf nog verdedigen … die Achtste … teveel pathos, over de rand … een hysterisch, sentimenteel werk … al die krijsende stemmen! Maar ik liet me verleiden om te gaan luisteren.

Al weken van tevoren spookte de muziek door me heen. Keer op keer beluisterde ik de cd, wat alleen maar frustreerde, want dit werk, dat zich begeeft tussen maximaal hard en maximaal zacht, is eigenlijk niet te registreren. Onmogelijk is het de bijna vierhonderd musici vast te leggen op zo’n armetierig schijfje. En dan die tekst, waarvoor we in de eenentwintigste eeuw niet meer gebouwd lijken te zijn … in het eerste deel die pathetische Pinksterhymne, een oproep om de geest neer te laten dalen, in het tweede deel die woordenbrij uit Goethe’s Faust. Ik voelde me als een bergbeklimmer, nerveus voor de tocht. Ook in de toiletten, in dat kwartiertje voor het begin, voelde de sfeer lichtelijk gespannen aan. De handendrogers loeiden onrustig en de mannen wilden allemaal nog hun laatste druppels kwijt vóór de Grote Reis (zonder pauze).

Het podium was volledig gevuld, met het extra grote orkest, de drie gemengde koren, de twee jongenskoren, de drie sopranen, twee alten, tenor, bariton en bas … daar was Mariss Jansons, de dirigent. Met een enkel gebaar zette hij de inleidende dreun van het orgel in werking. De eerste klanklawine vulde de Grote Zaal, die ineens te klein leek. Het koor loeide: Veni Creator Spiritus … Kom Schepper, Heilige Geest. Meer kun je als mensheid, zonder elektronische versterking, niet bereiken.

Aan het begin van het tweede, laatste deel is de euforie over de neergedaalde geest voorbij. Stiller dan stil begint de muziek, die door de aarde lijkt te zakken, door een nulpunt heen, en te belanden in een moerassig schimmenrijk. Stap voor stap gaat het daarna weer omhoog tot aan die aangrijpende, de keel afsnoerende slotakkoorden, die echo’s van de eeuwigheid. Faust, de rusteloze zoeker, die zijn ziel aan de duivel verkocht, wordt opgenomen in iets wat op de hemel lijkt, bijgestaan door ‘het eeuwig-vrouwelijke’ …

Alles Vergängliche
ist nur ein Gleichnis.
Das Unzulängliche,
hier wird’s Ereignis.
Das Unbeschreibliche,
hier ist’s getan.
Das Ewig-Weibliche
zieht uns hinan …

Dát is het magische van muziek. Ze klinkt in het moment en dooft uit, maar is dan niet voorbij. Juist na afloop begint die onvoorspelbare alchemie. Als ik terugdenk aan de uitvoering van die Achtste, dan is het niet het ongehoord extreme wat zich opdringt. Niet de decibellen. Niet de honderden uitvoerenden. Het is vooral de pauze tussen de twee delen, die me het meest is bijgebleven. Normaal wordt er dan gehoest, geschuifeld, kort gepraat, omdat de mensen willen uitademen. Maar nu was het stil, intens stil. Een bijna meditatief moment. Hoe krijgt Mahler dat voor elkaar? Ik gok op de volgende verklaring. In het jaarverloop valt Pinksteren na Pasen. Maar Mahler koos voor de omgekeerde volgorde, voor een bijna heidense omdraaiing. In het eerste deel laat hij de Geest neerdalen. Het is Pinksteren. Dan volgt, aan het begin van het tweede deel, dat stille, geheimzinnige fragment. Zacht pizzicato. Een minieme bekkenslag. IJle klanken van de blazers. Het Golgotha-moment van de symfonie. Muzikale Goede Vrijdag. Daarna laat Mahler je innerlijk meegaan met de geest van Faust, omhoog, richting verlossing. Het is Pasen. Eerst daalt de Heilige Geest neer om daarna op te stijgen, maar in een doorleefde, menselijke vorm. Een geniale vondst van die meester van de metamorfose.

En dat allemaal door Glenn Miller & Beverwijk.

De laatste meubeltoonzaal. Ook daar weer muziek. Ondefinieerbare klanken. Saxofoon en trompet op een bedje van melige synthesizerklanken. Direct zetten we het tempo er weer goed in. Onderweg zonder ik me even af in een schemerige kamer, vol met voluptueuze bankstellen. Op één ervan zit een echtpaar. De sfeer is geïrriteerd, dat zie je zo. Ze kibbelen. De vrouw mekkert over de kleur van de bekleding. Ze wil zwart leer en niet bruin, want dat past beter bij de gordijnen. De man lijkt haar niet te horen en vouwt een zelfgetekende plattegrond van de huiskamer open: ‘Luister toch eens naar me … die bank past niet onder de vensterbank … ’ Hij zegt het zacht en voorzichtig, er hangt immers een escalatie in de lucht. Zijn vrouw zucht diep. Daarna zwijgen en staren ze lange minuten. Dan, ineens, uit het niets, staat de vrouw op en trekt hem uit de bank omhoog. Ze geeft hem een zoen en lacht: ‘Kom, we gaan … lekker naar huis!’

Zo zie je maar: ook op de woonboulevard kan zich de Achtste van Mahler voltrekken. Met de Geest voor ogen, dat Ideale Bankstel, gingen ze erheen. Daar wachtte een moeras, en ze zwegen. Maar de Geest kwam terug, gemetamorfoseerd. Ze kochten de bank niet en verlieten de Meubelreus, hand in hand.

(Klik hier voor het verhaal over Mahler in Leiden)

Onder de rook van Heemstede en Hoofddorp, aan de rand van de Haarlemmermeerpolder, ligt een dorpje met een wonderlijke naam: Cruquius. Terwijl ik de Gamma van de woonboulevard Cruquius Plaza verlaat, overdenk ik die exotisch klinkende naam. Waar zou die vandaan komen? Mijn oog valt op een winkelpand: Swiss Sense, boxsprings & matrassen. Wie kent deze naam tegenwoordig niet? Met een gigantische publiciteitscampagne probeert deze firma de beddenmarkt te veroveren, geholpen door het vertrouwenwekkende logo met het Zwitserse kruis. Dat laatste is overigens vreemd, want het is een Nederlands bedrijf en de bedden zullen waarschijnlijk in lage lonenlanden gemaakt worden. Maar ja, Zwitserland geeft een gevoel van veiligheid en degelijkheid, en dat is wat je wilt, met je bed (N.B.: inmiddels is het witte kruis stilletjes uit het logo verdwenen).

Ik pak de kans en loop naar binnen. Ondanks de zaterdag ben ik de enige. Heerlijk, de aanblik van de weelderige matrassen, de weldadige dekbedden … iets ongewoons trekt mijn aandacht … in een plexiglazen vitrine ligt een onduidelijk apparaatje. De naam staat eronder: Swiss Sense Life. Ik buig naar voren … nee … de vorm van het ding verraadt niets over de functie. Het liefst zou ik er een foto van maken, maar de verkoopster komt eraan. Een vriendelijke vrouw. ‘Kan ik u helpen?’

‘Wat is dat voor iets?’ vraag ik, wijzend naar het ufootje.

‘Een luchtfilteraar … nieuw kost het 870 euro, maar als u al een bed heeft, en het wil laten inbouwen, kost het 600 euro … in de meeste nieuwe bedden zit het geïntegreerd, dan kost het slechts 300 euro!’

‘Maar hoe wérkt het?’

Ze wenkt me. ‘Kom maar mee naar boven!’

Nóg meer bedden. Bij één ervan stopt ze, pakt de afstandsbediening en dirigeert het voeteneind omhoog. ‘De Swiss Sense Life reinigt de lucht in de slaapkamer!’ herhaalt ze.

Ze gaat op de knieën zitten. Reflexmatig imiteer ik haar. Gezamenlijk kijken we naar het chassis van het bed.

‘Daar!’ Ze wijst naar het apparaatje, dat zit vastgeschroefd aan de onderkant van de bodem.

Het blijft doodstil, op die eerste verdieping, en de sfeer krijgt iets sacraals, nu we beiden zo op de knieën zitten. Dan hoor ik een zoemtoon. ‘Het maakt geluid!’

‘Ja … ja … maar alleen overdag … het wordt voorgeprogrammeerd … bijvoorbeeld van 10 tot 6 uur … als u aan het werk bent!’

Weer vraag ik hoe het functioneert.

‘Het zuivert de lucht!’ herhaalt ze voor de derde keer.

Ze weet het niet.

We staan op. Het voeteneind daalt weer neer. De mystieke sfeer is verdwenen. We zijn weer gewoon in een filiaal van Swiss Sense, in Cruquius … ja … waar zou die naam toch vandaan komen?

‘Is de werking van het apparaat getest?’ vraag ik, terwijl we de trap aflopen.

‘Het is al heel lang in de handel … jaren geleden heeft mijn zwager het al uit Amerika meegenomen!’

Ik voel dat dit verkoperspraat is. ‘Zijn er ook testrapporten?’

‘Jazeker! Het hoofdkantoor stuurt ze binnen een paar dagen op!’

We staan stil voor het plexiglas.

‘Dus het werkt tegen allergieën?’

‘Ja, tegen allergieën.’

‘En tegen huisstofmijt?’

‘Ook tegen huisstofmijt.’

‘En schimmels?’ probeer ik nog. ‘Bacteriën?’

‘Zeker!’

‘Pollen?’

Ja, tegen alles was klein is!’

Met een folder in de hand verlaat ik het pand en drink wat in de nabijgelegen vestiging van La Place. Ik spel de tekst. Ronkende resultaten vliegen om mijn oren. ‘Ontwikkeld en gepatenteerd door de NASA heeft Swiss Sense kans gezien deze unieke technologie te verkrijgen voor de consumentenmarkt.’ Het bedrijf richt zich niet alleen op de bedden, maar ook op het klimaat eromheen: ‘Ruim 99% van o.a. het huisstofmijt en andere luchtweggerelateerde allergieën die door bacteriën en micro-organismen worden veroorzaakt, worden gedood.’ Als ik het werkingsmechanisme van de ‘slaapkamerrevolutie’ lees, begrijp ik de verkoopster beter. Ik zou het ook niet uit kunnen leggen: ‘Swiss Sense Life werkt naar de kracht van een RCI-gel waarbij RCI staat voor Radiant Catalytic Ionization.’ De zuivering is ‘een nabootsing van het proces dat in de natuur plaatsvindt.’ Maar welk proces dan wel? Onder het kopje ‘oxidatie’ staat pure poëzie: ‘In reactie van het UV-licht met een viertal edelmetalen ontstaan er oxidanten die de ruimte in worden gestuurd. De oxidanten komen in contact met bacteriën of bijvoorbeeld huisstofmijt en zullen samen oxideren tot koolstofdioxide en water’. Het duizelt me, daar in La Place. Dit is pure magie!

Inderdaad: drie dagen na mijn aanvraag krijg ik via mail de onderzoeksrapporten toegestuurd. Grotendeels dezelfde informatie als uit de folder. Maar er staat ook iets nieuws in. Swiss Sense Life is ‘onderzocht en effectief bevonden’ door een drietal universiteiten in Amerika, en TNO. Er staan zelfs namen van onderzoekers bij. Met wat eenvoudig zoekwerk vind ik het e-mailadres van één van de onderzoekers, Sergey Grinshpun van de University of Cincinnati. Ik stel hem wat vragen over de Swiss Sense Life. Zijn antwoord bevreemdt me: ‘I’ve never evaluated any technology with any matrasses.’ Wel mailt hij me een onderzoek naar een vergelijkbaar apparaatje. Veelbelovende resultaten, maar de claim van ‘ruim 99%’ haal ik er niet uit. Voor de zekerheid nog even overlegd met de onderzoeker van TNO, Jacques Kastelijn, waarnaar Swiss Sense refereert. Zelfde verhaal.

Dan maar contact gelegd met het bedrijf zelf. Vrij snel beland ik in de hoogste regionen, bij een senior manager business affairs. Een vriendelijke man, maar hij weet niet meer te vertellen en verwijst naar de importeur. Terloops verneem ik dat Swiss Sense ook de Duitse markt wil gaan veroveren, en nóg iets: ‘De Duitsers zijn vrij conservatief en hechten waarde aan keuringen’. Daarom wordt de Swiss Sense Life voor de Duitse markt opnieuw getest, en wel door het eerbiedwaardige TÜV-instituut. Wonderlijk, denk ik: drie Amerikaanse universiteiten zouden onderzoek hebben gedaan, en ook nog eens TNO en de NASA. En dan nieuw onderzoek gaan doen? Later zie ik trouwens dat onderaan het onderzoeksrapport ook het logo van het TÜV-instituut staat. Kortom: een moerassig geheel, die Swiss Sense Life.

Tot op heden niets van de importeur gehoord. Wel kan ik iets anders melden: de oorsprong van de naam Cruquius. Mooi verhaal! Het dorp is vernoemd naar Nicolaus Cruquius (1678-1754), eigenlijk Nicolaas Kruik (het latiniseren van namen was in die tijd niet ongebruikelijk). Hij maakte plannen voor de drooglegging van de Haarlemmermeer, die uiteindelijk pas in 1852 plaatsvond. Niet alleen was hij een visionair, maar ook een duizendpoot. Hij werkte als landmeter, waterbouwkundig ingenieur, sterrenkundige, meteoroloog, cartograaf. Kruik was geobsedeerd door de kracht van het getal. Meten betekende voor hem weten. Het verhaal gaat dat hij zelfs zijn eigen urineproductie bijhield! Het voert wat ver, ik weet het, maar ik kan niet nalaten Cruquius te koppelen aan Swiss Sense. De exactheid van Kruik versus de ondoorgrondelijke testresultaten van de beddenfabrikant. En, over getallen gesproken: hoe zit het eigenlijk met dat procentje micro-organismen dat de luchtfilteraar niet weet weg te vangen? Daar zouden wel eens taaie rakkers tussen kunnen zitten! Mijn advies is simpel en goedkoop: doe gewoon het slaapkamerraam open, pak stofdoek of natte dweil. Werkt waarschijnlijk net zo goed!

Een tip, voor wie naar Ikea gaat. Maak van je rondgang een loopmeditatie. Volg half dromend de grote pijlen op de vloer, langs al die huiskamer-, slaap- en werkkamers en lees de namen van de producten alsof het wonderlijke mantrams zijn … Sultan hjartdal, de binnenveringsmatras … Skydda mjuk, de matrasbeschermer … Alfhild fägel, de lampenkap met verstelbare fitting … laaf je aan al de beloftes die gedaan worden … Bumerang, de met vilt beklede broekhanger die ‘je broek beschermt en op zijn plaats houdt’ … of de Omsorg, de schoenspanner die ‘je schoenen mooi in vorm houdt, ook als ze niet worden gebruikt’. Maar wees ook alert! Wantrouw ‘de gordijnrailset met wandbeslag, gordijnroede en afsluitknoppen en gordijnringen’ … ja … Präktig … met jou heb ik nog een appeltje te schillen. Ik had je rotsvast en waterpas in de muur geplugd, maar toen boog je door, onder het gewicht van de gordijnen. Woest heb ik je van de muur geschroefd, met een enkele beweging doorgebogen en weggegooid. Goedkoop bleek duurkoop. Maar uiteindelijk kan je niet boos worden op Ikea. Want dan is daar, voor een luttele 99 cent, Plastis, de afwasborstel, met een zuignap vast te kleven aan de wandtegels. Handig bij ruimtegebrek op het aanrechtblad!

Ineens sta ik tussen planten. Vreemd. Ik wist niet dat Ikea die verkocht. Een rondgang leert al snel dat er veel kunstplanten tussen zitten: ‘Voor wie geen levende planten kan houden, maar toch van de pracht van de natuur wil genieten’. Daar … een stapel met bamboeplantjes … ook van plastic, met wederom een belofte, geformuleerd in die licht paradoxale taal: ‘Natuurgetrouwe kunstplant die altijd mooi blijft’. Voor de prijs hoef je dit laminaatplantje niet te laten liggen. Voor een paar eurootjes heb je er levenslang plezier van. Ik struin verder … nog meer kunstplantjes … of toch niet? Ik pak één van de bruine potjes van de schap en aai over de takjes. De twijfel blijft. Op het etiket staat een naam, in keurig plantenlatijn. Het blijkt te gaan om de Calocephalus brownii. Tja. En dan gaat het bij planten net als bij mensen. Als je een naam weet, wil je meer weten.

Thuis zoek ik verder, met het plantje tegenover me. Boeken. Internet. Wie is deze plant, met de grijszilveren kleur, de chaotisch ogende groeiwijze, met de harde en tegelijk zachte takjes? Al snel beland ik in Australië, want daar groeit ze, op kliffen en duinen aan de zuidkust. Hitte. Droogte. Oceaanzout. Dát is de plek van Calocephalus. Ik begin meer te begrijpen van haar verschijningsvorm. Het zachte dat je voelt zijn de kleine, dicht opeengepakte haren, die een dun donslaagje over de takken vormen. Zo beschermt ze zichzelf tegen uitdroging. En er is nog iets: de op het eerste gezicht bladerloze stengel blijkt niet bladerloos te zijn. De dicht tegen de stengels aangedrukte blaadjes zijn klein, millimeters groot, je ziet ze zó over het hoofd. Dat is een andere strategie van hitte- en droogteplanten: de bladgrootte reduceren. Ja, Calocephalus is een taaie plant, een overlever, een pionier. Rotsvast staat ze op zilte kliffen! En bij Ikea, net name in de kersttijd.

In mijn zoektocht tref ik geen Nederlandse naam voor de plant aan. Logisch: ze groeit hier immers niet in het wild. Vertalen dan maar. In het plantenlatijn refereert ‘calo’ naar ‘mooi’ en ‘cephalus’ duidt op ‘hoofd’. Mooihoofd, dat zou een goede naam zijn! Maar ik zie geen mooi hoofd, alleen een warrig, donzig takkenstaketsel. Het blijkt dat de naam verwijst naar de kleine bolvormige, lichtgele bloemen, die overigens niet op mijn exemplaar zitten en er waarschijnlijk ook nooit aan zullen komen.

Mooihoofd … zo zou ik ook wel willen heten!

Een paar weken later ben ik weer in Ikea. Eigenlijk had ik er niets te zoeken. Maar laat ik eerlijk zijn: ik wilde nog een keer naar de Afdeling Mooihoofd.

Loeidruk is het. Weekend. In loopmeditatie doorkruis ik de van daglicht afgesloten afdelingen … daar is ze … Mooihoofd! Minutenlang draal ik bij haar rond, totdat twee vrouwen naast me stoppen.
‘Dát plantje ziet er leuk uit!’ zegt Roodjas.
‘Ja, die ken ik!’ antwoordt Geelmuts. ‘Heb ik in de tuin gehad … nu dus ook bij Ikea!’
‘In de tuin?’
‘Ja!’ vervolgt Geelmuts. ‘Op aanraden van het tuincentrum. Goed te combineren met kleurige bloemen. Staat mooi naast heideplantjes!’
‘Lijkt me ook geschikt voor in mijn bloemstukken!’ zegt Roodjas.
‘Of voor in hangpotten’ fantaseert Geelmuts. ‘Met blauwe viooltjes ertussen …’
‘Ja … of lavendel …’ vult Roodjas aan en pakt twee potjes.
Geelmuts neemt vier potjes mee.
Ineens heb ik verschrikkelijk te doen met Mooihoofd. Niets over haar element, haar biotoop van ruige kusten waarop de zon brandt. Niets over haar taaiheid, haar moed, niets over haar pionierkarakter. Mooihoofd staat hier als een opgefokte vleeskip, losgerukt uit haar context. Zou er naast dierenwelzijn ook zoiets bestaan als plantenwelzijn?

Thuis kan ik het niet nalaten via email contact te leggen met het Customer Contact Center Nederland van Ikea. Of zij meer weten over het plantje, over haar natuurlijke leefwijze, waar ze verzameld is, of gekweekt? Twee dagen later volgt het antwoord: ‘Wij hebben uw e-mail doorgestuurd. Zodra wij antwoord hebben ontvangen, zullen wij u informeren.’ Weer een paar dagen later: ‘Wij kunnen uw vragen niet beantwoorden omdat ook wij de antwoorden niet weten.’ Kortom: een dood spoor. Dan maar zelf verder zoeken. Op naar het tweede deel van de naam: brownii. Daarin zit de naam van de Schotse bioloog Robert Brown (1773–1858). Hij ontdekte de celkern en de stroming van het cytoplasma, deed baanbrekend onderzoek naar de bestuiving en bevruchting van planten. Lange tijd verbleef hij in Australië, waar hij meer dan 3400, grotendeels onbekende plantensoorten verzamelde tijdens lange, ruige expedities. Maar wie vernoemde de plant naar Brown? Dat was de Duitser Ferdinand von Mueller (1825-1896). Ook hij verbleef lange tijd in Australië, na Brown om precies te zijn, ook hij maakte lange tochten over dat gigantische continent. Hij legde de basis voor het nationale Australische herbarium. De kans is groot dat hij uit respect en bewondering Mooihoofd naar Brown heeft vernoemd. Ontroerend idee is dat: de ene pionier eert de andere pionier vanwege een pionierplant.

Mijn Ikea-expeditie eindigde met een artikel van Mueller, uit 1857, zomaar op internet te vinden. Het is een weergave van een ellenlange voordracht over de ontdekkingsreizigers van Australië. Hij eindigt zijn ode met een citaat van de grote Isaac Newton, die man van de zwaartekrachtwetten: ‘I have played like a child with the pebbles on the shore, while the great ocean of truth lies unexplored before me.’ Dat is het mooie van Ikea. De woongigant levert niet alleen Plastis, dat ingenieuze afwasborsteltje met zuignap, maar leidt je ook naar grote onderzoekers die vergaarde kennis niet zien als einddoel, maar als raadselachtige antwoorden die nieuwe vragen oproepen.

Het is doodstil op de bovenste verdieping van museum Naturalis in Leiden. Tegenover een projectiescherm zak ik onderuit in een ouderwetse rieten strandstoel, en negeer het drukknopje van de film over ‘kust en zee’. Even geen bordjes met informatie, even geen computers met touchscreens.

Naturalis afficheert zich als dé landelijke specialist op het gebied van biodiversiteit: ‘Een plek waar jong en oud zich verwondert over het leven op aarde, de natuurlijke diversiteit en de processen die daar achter schuilgaan.’ De collectie van het museum is groot, groots, fabuleus. Maar al die verdiepingen met opgezette en in sterk water gedrenkte dieren geven me ook een gevoel van ontmoediging. Het is gewoonweg teveel, zeker als je bedenkt dat van de collectie maar een fractie is te zien. En als je vervolgens beseft dat Naturalis maar een flinter herbergt van de miljoenen soorten die op aarde leven en dat wat nu leeft een fractie is van wat ooit op aarde geleefd heeft … biodiversiteit is een overrompelend, bijna intimiderend begrip. Je voelt je een nietig pluisje, een onbetekenende vertegenwoordiger van de soort Homo sapiens. Misschien is het daarom dat ik wat aangeslagen in die strandstoel zit en het knopje tóch maar indruk, zonder de koptelefoon op te zetten. De film start direct. Inderdaad: kust en zee.

Na soezerige minuten druk ik me omhoog uit het krakende riet. Ik drentel wat rond op de afdeling en kom oog in oog te staan met een opgezette stier … ach ja … natuurlijk … dat moet Stier Herman zijn! Geconfronteerd met dit unieke wezen smelt mijn duffe gevoel direct weg. Twintig jaar geleden alweer werd hij geboren, op 16 december 1990. Nee, dit dier vergeet je nooit, het heeft geschiedenis geschreven. Waar de gemiddelde koe anoniem in een loopstal leeft en uiteindelijk even anoniem in een slachthuis verdwijnt, groeide Herman uit tot een mediaster. In de negentiger jaren stond hij centraal in heftige debatten over biotechnologie, genetische manipulatie in het bijzonder. Hij was het eerste transgene rund ter wereld, met in zijn DNA een stukje soortsvreemd, menselijk DNA. Daarom haalde hij de voorpagina’s van de kranten. Er is zelfs een biografie over hem geschreven.

Daar staat hij dan, Herman the bull, ‘symbool van maatschappelijk debat’, zoals Naturalis het formuleert, de kop lichtjes omhoog. Hekje er omheen, om een stal te suggereren en natuurlijk het vertrouwde, gele oormerk. De genius achter het dier, Herman de Boer (nee, de stier is niet naar hem vernoemd, maar naar een dierverzorger), sprak in grote woorden over de biotechnologie die hij ‘de minnaar van Moeder Natuur’ noemde, ‘die werkt zoals de natuur zelf.’ Herman groeide uit tot een icoon van de biotechnologie, zowel in positieve zin (wetenschappelijke vooruitgang, praktische toepassingen) als in negatieve zin (ingrijpen in de natuur, aantasting van de eigenwaarde van dieren, gebrekkige politieke besluitvorming).

Ik maak bovenstaande foto en controleer het resultaat op het schermpje van de camera. Gek. Heeft Herman een omhoog zwiepende staart? Nee … toch niet. Het blijkt te gaan om de nekwervels van een zes meter lange Plateosaurus, die achter hem staat opgesteld. Wat een heerlijk absurde plek is het hier! Een transgene stier naast een prehistorische Dinosauriër en, verderop, een mini-expositie over de uitgestorven Dodo. Het leven is een gek ding.

Ineens breekt de stilte. Een klas stormt binnen. Joelende jongens, een paar meisjes met hoofddoek. De meester van de klas komt als laatste binnen, in het gezelschap van een hoogblonde vrouw, die de rondleiding lijkt te leiden. Ze zonderen zich af van de groep en klitten samen achter de strandstoel waarin ik probeerde te herstellen van die overdosis biodiversiteit. De meester blijkt zeer geïnteresseerd in de vrouw, maar zij, aan haar lichaamstaal te beoordelen, niet in hem. Tja, ze is ingehuurd, dus moet nog even doorbijten. Gelukkig dat het bijna sluitingstijd is!

Inmiddels staan er twee baldadige jongens naast me, een lange en een dikke. Een paar tellen kijken we gedrieën naar Herman, totdat de lange een stap opzij zet, naar een beeldscherm met twee joysticks ernaast. Proefondervindelijk duwt en trekt hij aan de knoppen.
‘Wat zie je?’ vraag ik.
‘Cellen!’
‘Ja, cellen man!’ bevestigt de dikke.
‘Wat voor cellen dan?’
‘Cellen … organen!’ orakelt de lange, terwijl hij een beetje door zijn knieën zakt, alsof hij achter een flipperkast staat. ‘Dit is een game, man … je moet een cel vasthouden en er dan doorheen prikken!’
‘Gaaf!’ zegt de dikke.
Binnen de kortste keren is het hem gelukt en heeft hij, zonder het te beseffen, een zogenaamde ‘micro-injectie’ voltrokken. Met de linker joystick hield hij een nét bevruchte eicel vast. Met de rechter joystick manoeuvreerde hij een fijn glasnaaldje door de schil van de eicel en injecteerde het menselijk DNA. In 1990 gebeurde dit met meer dan duizend eicellen, gehaald uit eierstokken van geslachte koeien. Uiteindelijk resulteerde dit omvangrijke experiment in welgeteld één transgeen dier: stier Herman.

De jongens bukken en kijken onder de buik van de stier.
‘Is het een vrouwtje?’ vraagt de lange.
‘Ja … kijk maar!’ zegt de dikke, wijzend.
‘Nee, man, dat zijn z’n ballen!’
‘Z’n ballen!?’ Hij zegt het bijna gillend.
En dan floep ik het eruit: ‘Nee … kúnstballen … Herman is gecastreerd!’
De lange kijkt me met open mond aan. ‘Hij is gewát?’
‘Weet je niet wat dat betekent?’ lacht de dikke. ‘Z’n ballen zijn eraf gesneden … en nu hangen er nepballen onder!’
Het liefst zou ik meer over Herman vertellen … dat hij na het experiment afgemaakt moest worden maar, na politieke strijd, in leven mocht blijven … dat hij, als compromis, gecastreerd werd … dat zijn huid, na zijn vroegtijdige dood, geprepareerd werd …
‘Mooie ballen zijn het … meneer … voor in de kerstboom!’ zegt de dikke. Lachend rennen ze weg, in de richting van de meester die bij het trappenhuis wacht, naast de blonde vrouw die bijna naar huis mag.

Het is weer stil, daar onder het dak van Naturalis.

Ik loop terug naar de standstoel, zet de video over ‘kust en zee’ weer aan en overpeins de gebeurtenissen rondom Herman. Wat zouden de jongens thuis vertellen over Herman? En wat doet die stier eigenlijk in Naturalis? Hij is juist het tégenbeeld van biodiversiteit. Hij past in een proces waarin honderden streekrassen zijn verdwenen ten gunste van enkele wereldrassen die overal kunnen leven. Herman is een product van ons industrieel landbouw- en veeteeltsysteem. Monocultuur. Gelijkschakeling. Dát drukt Herman uit.

Het is sluitingstijd, zegt de omroepinstallatie. Voor de laatste keer loop ik langs hem heen. Nee, dit is geen stier. Dit is een vakkundig geprepareerde huid met kunstballen. Stier Herman is een mens van twintig jaar oud.

Wijze bomen

Dagenlang stonden ze er, tijdens mijn woon-werkverkeer, bij de rechtbank: de busjes met de schotelantennes op het dak. En terugkomen zullen ze, nu Moszkowicz de rechters heeft gewraakt! De Grote Man zelf, die zich schijnt te spiegelen aan niemand minder dan Galilei, heb ik niet gezien. Elke keer hoopte ik hem in het vizier te krijgen, omgord door zijn wonderlijke schare fans en de met oortelefoontjes behangen bodyguards.

Met Wilders in mijn achterhoofd fietste ik langs die rechtbank aan de Parnassusweg. Ik moest elders in Amsterdam nog iets doen en besloot een omweggetje te maken via het Vondelpark, dan kon ik mooi nog even een groet brengen aan één van mijn favoriete bomen: een reusachtige populier.

Vanaf een afstand zag ik haar al oprijzen, samen met de andere, even imposante soortgenoten, vlakbij de uitgang naar de P.C. Hooftstraat, tegen het hek van de naastgelegen van Eeghenlaan. Meer dan veertig meter hoog! Een uniek exemplaar. Ik parkeerde mijn fiets en baande me een weg door de bosjes en struiken, voorzichtig, want er slapen hier vaak daklozen. Maar nu was er niemand. Te koud. Aan de voet van de stam stond ik stil en keek omhoog. Wat een imposant wezen! Massief. Ongenaakbaar. Maar ook kwetsbaar, want populieren worden nooit zo oud.

Ik liep achter de boom vandaan en stond onverwacht oog in oog met een man aan de andere kant van het hek. Een tel keken we elkaar verbaasd aan.
‘Ik kom voor de boom’ zei ik verontschuldigend en wees omhoog.
Het ijs brak direct.
‘Ik óók!’ zei hij, in lekker plat Amsterdams en begeleid door een achtergrondkoortje van krijsende halsbandparkieten. Hij bleek op zoek naar bijzondere bomen in de stad. We waren lotgenoten! Direct wisselden we wetenswaardigheden uit. Of hij die twee monumentale platanen kende, aan de centrumuitgang van het Vondelpark, in het Leidsebosje?
‘Nee … fiets ik zo direct heen!’ zei hij opgetogen.
Als tegenprestatie kreeg ik ook een tip: een rare boom, in het plantsoen op het Emmaplein. ‘Die heb ik ontdekt toen ik een keer vreselijk moest pissen … als een karhengst … verborgen tussen de struiken staat ie … de stam maakt een hoek van negentig graden … eigenlijk zou ie moeten omvallen … dat die boom dat voor elkaar heeft gekregen … ze is intelligent!’
Hij legde zijn hoofd weer in zijn nek, en keek de populier in. ‘Als je weet wat er allemaal in die boom leeft … beessies, insecten … oeroud is ze … dit is één levend wezen … tonnen moet ze wegen …’ Hij zocht naar meer woorden. ‘Weet je … soms denk ik wel eens dat ik … in een vorig leven … een boom ben geweest … nee … ik maak geen grapje … bomen zijn zo anders dan wij en tegelijk heel dichtbij!’
En toen gebeurde het.
Hij stapte naar voren, sloeg met een hand drie keer amicaal tegen de schors en omarmde de stam. ‘Goed gedaan, meissie … grote vriendin van me … goed gedaan … je bent een superboom!’
Met enige moeite namen we afscheid.
‘Dus jij gaat nog even naar de platanen!’ riep ik over mijn ontroering heen.
‘Ja … en jij naar het Emmapark!’
Dat beloofde ik.

Zo gezegd, zo gedaan.

Vijf minuten fietsen. Een rustig, voornaam parkje. Koningin Emma staat pront op haar sokkel. Ik liep de bosjes in achter het beeld … geen twijfel mogelijk … dat moest die intelligente boom zijn … een Haagbeuk.

Ik liep een rondje om het park. Op een bankje, naast hun scooters, zaten twee jongens, ontspannen onderuitgezakt, petjes achterstevoren. Ze babbelden gezellig, gehuld in een fikse cannabiswalm. Nederlanders waren het, maar tegenwoordig schijn je allochtonen te moeten zeggen, of mensen-met-misschien-wel-twee-paspoorten.
Ze keken me vriendelijk aan. ‘Mooi parkje, vindt u niet?’
Ik knikte. ‘Komen jullie hier vaak?’
‘Af en toe, voor de gezelligheid …’
Ik keek naar de ceder achter hen en verzon een leugentje om bestwil. ‘Die mooie boom daar, die is mijn favoriet … willen jullie daar een foto van me maken?’
Ze keken niet eens raar op. ‘Natuurlijk!’
Terug bij het bankje begon één van de jongens, precies volgens mijn strategie, te praten. ‘Mijn opa in Marokko’, zei hij, ‘woont in een dorpje op het platteland. Daar kan hij uren op een bankje zitten, onder een vijgenboom, samen met andere oude mannetjes. Een te gekke plek is dat! De laatste keer dat ik er was, vertelde hij verhalen over vroeger, over zijn jeugd, over mijn oma, die niet meer leeft … dat komt allemaal door die vijgenboom!’
Ze lachten ontwapenend. Ik lachte terug, bedankte voor de foto en stapte op mijn fiets. Eigenlijk zou iedereen twee paspoorten moeten hebben, dan leer je nog eens wat van elkaar. Alleen maar pure Nederlanders … je zou ervan in slaap sukkelen!

Uit nieuwsgierigheid reed ik nog even langs het Leidsebosje … misschien … ja! … daar stond hij, de Populierenman, die nu een Platanenman was! Hij was over het lage hekje gestapt en stond, in gedachten verzonken, tussen de twee reuzen. Niets leek hij te merken van de drommen toeristen die voorbijsjokten en de langsdenderende trams.

Op de terugweg kwam ik weer langs de rechtbank en bedacht: het proces tegen Wilders zou niet in dat verschrikkelijk ongezellige gebouw plaats moeten vinden, maar ergens buiten, onder bomen. Veel moeite hoeft dat niet te kosten, want pal achter de rechtbank ligt een ideaal grasveldje voor dit doel. Er staan twee wilgen op en drie esdoorns: de meest wijze en milde jury die denkbaar is. Rechtspraak houden onder en tussen bomen past in een eeuwenoude traditie. Prachtig lijkt me dat: het zwart en wit van de toga’s, de golvende krullen van Moszkowicz, de wapperende kuif van Wilders tussen de verwaaide, herfstige bomen!

Older Posts »