Feed on
Posts
Comments

Oog in oog

Het is even schrikken bij de ingang van het Gemeentemuseum Den Haag: er staat een lange wachtrij. Ik had het kunnen weten, het is immers weekend en de tentoonstelling met schilderijen van Mark Rothko (1903-1970) nadert zijn eind. Iedereen wil er nog even heen, voor het te laat is. Ook binnen is het druk, moedeloos makend druk. Ik wurm me door de massa en zoek een relatief rustige plek in één van kleinere ruimtes. Aan de muur tegenover me hangt een typisch laat werk van Rothko, bewoond door verweesde vlakken in een ijle, onbestemde ruimte.

Naast me zit een vrouw van middelbare leeftijd. Even kijken we elkaar aan. Haar donkerrood geverfde haar wolkt woest om haar hoofd. Ze draagt een opvallend grote bril met een fors, lichtblauw montuur. De bolle lenzen vergroten haar ogen uit.

Huilt ze?

Verlegen kijk ik weg, en, nieuwsgierig, weer terug. Inderdaad: ze huilt. Zou het dan toch kloppen wat Rothko over zijn schilderijen zei? Dat mensen erdoor geëmotioneerd kunnen raken? Ik kijk naar het schilderij voor ons. Ongenaakbaar en compromisloos hangt het daar, wars van logica en gezond verstand. Maar emoties, nee, die voel ik niet.

Mijn ooghoeken zeggen dat de vrouw me weer aankijkt. Voorzichtig draai ik me in haar richting. Ze vangt mijn blik, wil gaan praten, maar zwijgt. Daarna kijken we weer een paar minuten richting Rothko. Als ik opsta, leg ik impulsief een hand op haar onderarm en geneer me direct … rare handeling in een museum … snel loop ik weg en drijf manmoedig mee in het kunstliefhebbende plankton. Hoe kun je in deze mierenhoop je individuele, unieke emotie beleven? Hoe kun je hier die goddelijke vonk voelen, aangeraakt worden door de muze? Nee, dit museumbezoek lijkt eerder op een logistieke operatie … maar ik laat me niet kisten … in één van de grote zalen speur ik als een roofdier naar een plekje op de bank tegenover het werk dat de meeste indruk op me maakt: Untitled uit 1959.

Geduldig, rituele rondjes draaiend, wacht ik op mijn kans en maak ter compensatie een foto van het immense werk van zo’n twee bij vijf meter. Beteuterd kijk ik op het armetierige schermpje van mijn smartphone. Zo’n fotootje is natuurlijk een volstrekt ijdele poging om het monumentale origineel te benaderen. Maar je moet iets, in deze Kalverstraat-op-zaterdagmiddag … ineens ligt er een stukje bank bloot … met veredeld ellebogenwerk, we zijn hier immers als beschaafde cultuurliefhebbers onder elkaar, confisqueer ik mijn plekje. Direct strek ik de benen, in een poging een verkeersluwe zone tussen mij en het schilderij te creëren … dat lukt zowaar aardig … en ik duik in het schilderij, precies zoals Rothko dat voor ogen had. Want hij wilde geen scheiding tussen waarnemer en kunstwerk, je moest zijn werken ondergaan zoals je naar muziek luistert … en dan komen de vlakken voor me in beweging … vormen zich tot deuren … nee … tot ramen … nee … tot ogen waar ik doorheen kan kijken … naar … ja … naar wat precies? En zo ben ik terug bij af. Ik troost mezelf met een uitspraak van Goethe: ‘Zoek niets achter de fenomenen; ze zijn zélf de leer.’

Dan loopt een meisje met twee parmantige, rode Pippi Langkous-staarten mijn blikveld binnen. Ze maakt pas op de plaats en kijkt even aandachtig naar mijn Untitled. Als ze wegloopt zie ik haar eigenwijze, heldere ogen en de zwerm sproeten rondom haar neus … ze doet me aan iemand denken, maar ik weet niet wie … ze huppelt naar een even roodharige vrouw en pakt haar hand … dat zal haar moeder zijn … en dan schiet het me te binnen …

Het was afgelopen zomer. De westkust van Ierland, Connamara. Een prachtig, stil zandstrand vol pastelkleurige schelpen, leerachtig aanvoelende bladwieren en kompaskwallen met sierlijke patronen in de hoeden. Langs de waterlijn stond een meisje met een schepnet in de hand. Ze was even roodharig als Pippi en had net zo’n zwerm sproeten om de neus. Voor haar stonden drie plastic emmertjes met gele hengsels, vol met heremietkreeftjes. Bijzondere dieren zijn dat: aan hun achterlijf ontberen ze een hard pantser. Ter bescherming verbergen ze dat kwetsbare deel in lege slakkenhuizen. Alleen de kop, looppoten en scharen steken naar buiten.

image

Ik boog over haar emmertje en lispelde bewonderende woorden. Het was echt indrukwekkend wat ze had gedaan! Ze had de beestjes gesorteerd, met de schelpkleur als criterium. Emmertje 1 bevatte gemiddeld lichtroze slakkenhuizen, emmertje 2 bruin-grijze en emmertje 3 lichtgele. De kroon op het tafereel was de uitdrukking op haar gezicht: blij, eindeloos blij, intrinsiek blij. Nee, dat meisje was nog niet geconditioneerd door testen en toetsen, nog geen prooi van gestandaardiseerde leerlingvolgsystemen. Ze maakte zich nog geen zorgen over onvoldoendes, verlangde niet naar hoge cijfers, ze wilde, gewoon, domweg, helemaal vanuit zichzelf, kreeftjes verzamelen en die op pure schoonheid, op kleur sorteren. Verder dan dat ging ze niet. Haar klus was klaar en in zichzelf besloten. Ze was tevreden. Daar, op dat stille strand, aan de rand van die onmetelijke Atlantische Oceaan, waren de kleuren zélf de leer.

In Den Haag lopen Pippi en haar moeder de zaal uit … ja … misschien deed Rothko iets vergelijkbaars met kleuren, maar dan bewust. Zijn zwevende vierkanten en rechthoeken omlijnde hij niet. Ook de ultieme grens van zijn schilderijen, de omlijstingen, liet hij weg. Wat in zijn werk overblijft zijn die transparante kleurvlakken. Daar kon hij in zijn atelier eindeloos naar kijken. Van de toeschouwer vroeg hij ook zo’n instelling. Hij adviseerde, zeker bij de eerste ontmoeting met een schilderij, dicht erop te gaan staan, op een halve meter afstand. Ook liet hij zijn werken laag ophangen zodat je er letterlijk tegenover stond, bijna als mens tot mens: ‘Er mag niets tussen mijn schilderij en de toeschouwer staan’. En je vraagt je af: zocht Rothko iets achter of voorbij de kleurvlakken die hij gebruikte? Verlangde hij naar transcendentie, naar een wereld voorbij het zintuiglijke? Of waren de kleuren bij hem óók zelf de leer?

Voor de laatste keer ga ik terug naar Untitled.

Natuurlijk, het bankje is vol. Wachten dan maar weer … daar … de vrouw met de blauwe bril … gelukkig … ze zwaait vrolijk en is dus niet boos op me. Achter me praten een man en een vrouw over de griepprik die ‘dit jaar niet goed werkt’. Even later zegt iemand dat ‘Victor zijn keuken overdreven luxe heeft verbouwd … hij heeft nu zelfs een gasfornuis met zés pitten …. en hij kan nog geen eens een eitje bakken!’. Zijn metgezel reageert op geïrriteerde toon: ‘Ja … die laat het wel héél breed hangen!’

Het hoekje op de bank is weer vrij … subtiel schuif ik erop en duik nogmaals in het schilderij, sneller nu, het voorbereidende werk is immers al gedaan. En dan, na een paar minuten, uit het niets, voel ik nu wél emoties opkomen. Nee, er komen geen concrete beelden omhoog, geen ‘tragische gebeurtenissen’ die Rothko met zijn schilderijen verbond. Wat ik vooral ervaar is weerloosheid. Dit schilderij is weliswaar groot, maar tegelijk naakt en ongewapend. Het mist een pantser, zoals de achterlijven van de heremietkreeften. Het is niet ingesponnen in valse, bedekkende oordelen of schone schijn. Dit schilderij is een puur, rauw fenomeen, een open zenuw. Kwetsbaar is het, en daardoor zo ontroerend.

Het verste punt van de Imitatio Ornithologica is bijna in zicht (klik hier voor deel 1 en deel 2)! Nog een kilometertje of dertig. Na de vuilstort bij Alkmaar gaat Larus richting Akersloot. Daar scheert hij langs de oever van het Alkmaardermeer. Ik scheer mee en kom mooie topografische plaatsnamen tegen, zoals Klein Dorregeest. Hoe zou het zijn om daar te wonen? Daarna steekt hij het meer over, richting Amsterdam. Pas na een flinke omweg kom ik hem weer tegen, zuidelijk van het meer, in – weer zo’n fraaie naam – de Krommenieër Woudpolder. In Krommeniedijk, Krommenie en Westzaan is het ploeteren om hem te volgen. Ik besluit de kortste weg te nemen naar het Noordzeekanaal en me daar te focussen op het keerpunt in Amsterdam-West. Na halsbrekende toeren over een voor fietsers verboden weg, bevolkt met razend vrachtverkeer, bereik ik het kanaal. Vanaf de dijk is het panorama fraai. Een koppeltje zwanen. Overvliegende meeuwen. Het ongenaakbare silhouet van de havens. Schepen met vlaggen uit verre landen.

Tja, en dan vliegt Larus eventjes naar de overkant van het kanaal. Ik moet kiezen: óf zo’n kilometer of vijf naar het westen, naar pont Buitenhuizen, of vier kilometer oostelijk naar pont Hembrug. Ik kies voor de laatste. Eenmaal aan de overkant moet ik een lange lus om de Westhavens maken. Erg is dat niet, want ook hier glijden weer de verbeelding tartende namen langs … Sonthaven … Bosporushaven … Suezhaven … Beringhaven … Hornhaven … Aziëhaven … Australiëhaven … waar een meeuw je al niet kan brengen! Uiteindelijk, na een omweg van een slordige vijftien kilometer, bereik ik dan de overkant van het kanaal … op naar het keerpunt … langs de rokende schoorstenen van de energiecentrale Hemweg … door het bedrijventerrein Westpoort … over de drukke Haarlemmerweg … de eerste woonblokken van Amsterdam-West … het voetgangersbruggetje over de Albardagracht … daar cirkelde Larus een tijdje rond, voordat hij terugreisde naar zijn nest op Texel …

De eerste indrukken van het keerpunt vormen een anticlimax. Mijn aanname dat het keerpunt het hoogtepunt van de tocht zou zijn, sneuvelt snel. De sfeer is gewoontjes, zomers lui. Nieuwbouwflats. Wat verderop een winkelcentrum. De wijk, aandachtig en met zorg ontworpen, oogt prettig. De gracht, en de grasstroken erlangs, zorgen voor een milde uitstraling. Hier wordt hard gewerkt om multicultureel Nederland te laten slagen. In ornithologisch opzicht is de plek echter non-descript.

Maar laat ik niet te vroeg oordelen.

Ik installeer me op een bankje aan het water. Hoe langer ik kijk, des te meer valt het op dat er rondom het bruggetje vooral veel vogels verblijven. Meeuwen, meerkoeten, eenden, duiven. Opvallend zijn de drie aalscholvers die op evenzoveel paaltjes in de gracht hun gespreide vleugels aan de lucht drogen … niet echt een logische plek voor deze soort … het lijkt hier wel een samenscholing in een winters wak. Maar hoeveel voedsel is hier te halen? De straat oogt redelijk schoon, ik zie niet dat mensen vanuit de flats voedsel naar beneden gooien … de massale aanwezigheid van de vogels heeft iets raadselachtigs.

Ik wacht een half uur, een uur, anderhalf uur … eindelijk lijkt er iets te gebeuren als een man een broodzak leegschudt op het gras naast het water. Direct ontstaat er een relletje tussen meeuwen, maar dat dooft snel. De sfeer keert terug naar de standaardinstelling: loom. Wel doe ik een paar bijvangsten. Zo zie ik een vrouw de reclamefolders die ze moet bezorgen in een afvalbak proppen. Een man sleept een op slot staande fiets mee, en zet die tegen een boom. Gestolen waar? Interessant allemaal, maar vogeltechnisch gezien blijft het doodtij. Ja, waarom, beste Larus, ben je vanaf Texel helemaal hierheen gevlogen?

Na twee uur houd ik het voor gezien. Het keerpunt heeft geen antwoord gegeven. Mijn motivatie daalt naar een nulpunt. Ja, waar ben ik eigenlijk mee bezig? Lichtelijk teleurgesteld besluit ik terug te fietsen naar huis.

Een paar dagen pruttelt het vogelproject op een laag vuur totdat J. me ernaar vraagt. Met enige schroom vertel ik over mijn bevindingen. Graag had ik een paar klinkende resultaten gemeld. Ja, vreemd allemaal, dat vindt ze ook. Klinkt inderdaad niet als erg efficiënt, dat vliegen tussen Texel en een nieuwbouwwijk in Amsterdam. En dan stelt ze voor, misschien wel als een pleister op de wond, om samen terug te gaan naar het voetgangersbruggetje.

Zo gezegd, zo gedaan. Een weekje later staan we aan de oever van de Albardagracht. Nog steeds dezelfde vloed aan vogels. Veel Zilvermeeuwen, in het gras, op het water, hoog op de daken van de flats. Als extraatje zien we een scharrelend paartje nijlganzen en een klein drama: een reiger met een nog levende rat in de bek. We lopen een paar honderd meter langs de gracht, weg van het bruggetje. Ook nu ontvouwt zich hetzelfde patroon: met iedere stap die we zetten neemt de dichtheid van de vogels af. We besluiten mensen aan te spreken, misschien weten zij meer over de vogels of het lokale voedselaanbod. Als eerste klampen we een man aan die, zo schatten we in, wel van vogels houdt. Op zich blijkt die taxatie te kloppen, maar als we naar de meeuwen op het gras wijzen, gelooft hij niet dat de bruingevlekte juvenielen óók meeuwen zijn. De communicatie stokt op basaal ornithologisch niveau. Misschien weet die mevrouw meer … maar ze spreekt een taal die we niet kunnen classificeren. Verder dan wat gelach over en weer, komen we niet.

De Albardagracht is een Toren van Babel.

We hebben nog een genoeglijke namiddag, maar wat de Zilvermeeuw betreft is er geen progressie. Texel ligt noordelijker dan de Noordpool.

Weer suddert de Imitatio een paar dagen op een laag pitje. Af en toe denk ik zelfs aan afblazen van het project … maar ja … vier dagen heb ik er inmiddels in geïnvesteerd. Op een avond probeer ik mezelf, een beetje met de moed der wanhoop, op te peppen en nestel me achter mijn computer. Ik google me suf op de Albardagracht en omgeving. Dat levert geen aanknopingspunten op, totdat ik terechtkom bij oude topografische kaarten … fascinerend … één daarvan, een uitgave uit 1746 van het Hoogheemraadschap Rijnland, doet me opveren …

Eindeloos vergelijk ik de kaart met recente kaarten. Stap voor stap, na veel passen en meten, dringt de conclusie zich naar voren: op het keerpunt heeft lange tijd een meertje gelegen, het Ookmeer, op de kaart aangeduid als het ‘Oock Meertge’. Zuidelijk zie je de oever van het voormalige Haarlemmermeer. Ertussenin ligt een veengebied waar, door turfwinning, veenriviertjes ontstonden die zich verbreedden tot meertjes, waaronder het Ookmeer. In de negentiende-eeuw werd besloten het Haarlemmermeer, dat vervaarlijk oprukte richting Amsterdam, droog te leggen. Dat proces was klaar in 1852. Het Ookmeer bleef nog enige tijd bestaan, tot de droogmaking in 1874.

Het is een prikkelende hypothese: het keerpunt van Larus als de reminiscentie aan een ooit bestaand meer. Misschien was het Ookmeer ook zo’n rust- en vergaargebied als het zoete water in de Grafelijkheidsduinen en het Zwanenwater, of de meertjes langs de Westfrieseomringdijk. Het zou best kunnen dat zo’n plek door de eeuwen heen in het collectieve geheugen van vogels is vastgelegd. Toegegeven, mijn hypothese is gewaagd, en moeilijk te toetsen … hoe dan ook … er kwam weer leven in mijn Imitatio … daarom sta ik een paar dagen later, met alarmerende weersvoorspellingen op de achtergrond, weer bij het voetgangersbruggetje over de Albardagracht.

De situatie aldaar is ongewijzigd: veel vogels, weinig voedselaanbod.

Eindelijk gaat het nu richting Texel … boven de Afrikahaven slaan zorgelijk zwarte wolken de handen ineen. Ik had het kunnen weten: de naweeën van orkaan Bertha. Gewoon doorfietsen, verstand op nul … de dijk langs het Noordzeekanaal, die Larus voor een kilometer of negen in westelijke richting volgt om daarna, in een lichtgebogen, noordwestelijke lijn aan te koersen op Castricum aan Zee.

Daar zijn de eerste druppels … vette druppels … dit wordt niet zómaar een bui … stom … ik heb wel een regenjas bij me maar verder alleen een bolletje droge sokken. Ik wil schuilen onder een boom, maar zwik in het onregelmatige gras en zak tot mijn enkels weg in een verborgen modderplas. Langzaam trekt het water mijn sokken in. Fietsen dan maar weer en dekking zoeken op de pont Buitenhuizen, die gelukkig vlakbij is. Vreemd: er staat een lange file. Dat komt omdat, zo hoor ik iemand zeggen, de Velsertunnel door al die stortbuien is volgelopen en afgesloten. De overspannen schipper maant de auto’s de pont op: ‘We varen zonder onderbreking heen en weer … opschieten graag!’

Ik rijd het dek op en schuil in een hoekje, samen met een man, ook een fietser. Mooie Ortlieb-zijtassen hangen aan zijn sportfiets. We kijken, zoals mannen dat kunnen doen, naar elkaars materiaal, naar het merk fiets, type versnellingen, remmen, dat soort dingen.
Ik open het gesprek: ‘Waar kom je vandaan gefietst, in dit weer?’
‘Vanochtend vertrokken uit Woerden en ik ga naar Heerhugowaard!’
Indrukwekkend … een matineuze kilometervreter … deze man is een echte Larus!
‘En jij?’
‘Op weg naar Texel …’ zeg ik, met enige terughouding, want het verhaal over mijn meeuw is ingewikkeld en, trouwens, Texel ga ik vandaag helemaal niet halen, dat is wel zeker.
‘Ook best een aardig eindje …’
De pont is inmiddels halverwege het kanaal terwijl de regen het water geselt. Nu verderfietsen zou pure zelfkwelling zijn, en er is een ander probleem, dat Ortlieb als eerste signaleert: het wachthokje aan de overkant, zo te zien de enige droge plek, puilt uit van schuilende fietsers en bromfietsers. Als de klep daalt neemt hij een besluit. ‘Weet je wat … we varen net zo lang heen en weer totdat het droog is!’
Samen lachen we over zoveel spitsvondigheid!
De boot stroomt leeg en weer vol. Geïrriteerde mensen. Dat komt natuurlijk door die volgelopen tunnel. Maar in ons hoekje is het gezellig en droog. We babbelen losjes, over fietstochten en over zijn fraaie Rohloff-versnellingsnaaf.
Drie keer varen we heen en weer.
‘Bijna droog!’ roept Ortlieb en wijst naar de fraaie regenboog. Welgemoed duwen we onze fietsen de pont af. Mijn doorweekte schoenen maken soppende geluiden. Hij hoort het: ‘Weet je wat … ik heb extra schoenen bij me … heel oude … maar wel droge … je mag ze hebben!’
Hij woelt in een zijtas en haalt een paar afgetrapte sportschoenen naar boven.
‘Nee, joh … ik red me wel!’ protesteer ik.
‘Ik had ze thuis al bijna weggegooid!’ Hij zet het paar voor me neer, slaat kameraadschappelijk op mijn schouder en rijdt in hoog tempo weg.
‘Bedankt!’ roep ik hem nog na.
Ik trek mijn druipende sokken uit en verwissel ze voor het droge bolletje. De schoenen zijn te groot, maar dat maakt niet zoveel uit op de fiets.
Op weg!
De dijk langs het Noordzeekanaal … aan de overkant ligt de hal van Snowplanet, waar je ook in de zomer kunt skiën … van daaruit vloog Larus naar Castricum aan Zee. Maar eerst het industriegebied Beverwijk, terwijl de volgende tropische bui aanstalten maakt. Ik maak vaart en rijd door tot aan de woonboulevard. Auping. Lederland zitmeubelen. Kookhuis. Bankstelgigant. Karwei. Woonexpress … en daar … alsof de duivel ermee speelt … op het dak van Beter Bed … een Zilvermeeuw!

De stortbui valt.

Ik schuil onder de overkapping van de winkels en ijsbeer. Wonderlijk, dat lopen met andermans schoenen. Ze zijn ruim twee maten te groot: 47,5. Merk: Nike, type Renzo. Made in Vietnam. Gek, de veters links en rechts zijn verschillend gestrikt. Zou ik nooit doen. De zolen zijn vooral aan de binnenzijde afgesleten. Bij mij slijten ze juist aan de buitenkant. Vandaar het gevoel dat ik met X-benen loop. Waar zou Ortlieb trouwens fietsen? Schuilt hij ook ergens voor de regen?

Op mijn telefoon toont Buienradar alarmerende beelden … code oranje … ik rijd naar station Beverwijk en neem de trein naar huis. Pas het volgende weekend is Bertha uitgeraasd en begin ik aan de laatste etappe naar Texel … Beverwijk … Heemskerk … het Noord-Hollands Duinreservaat, de bossen rond de Kruisberg. Ik ruik hars en schimmels. De herfst rukt op. Het is prettig in het bos, maar tegelijkertijd besef ik me dat Larus niet geïnteresseerd is in bossen. Hier wil hij helemaal niet zijn, hij is op weg naar Castricum aan Zee. Daar, bij de parkeerplaats om precies te zijn, trekt hij de zee op om, kilometers uit de kust, in een vrijwel rechte lijn naar Texel te vliegen.

Ik loop het strand op en voel dat mijn Imitatio eigenlijk voorbij is. Na een paar kilometer, op een verlaten plek, rust een grote groep meeuwen. Gemengd assortiment: Mantelmeeuwen, Zilvermeeuwen, Stormmeeuwen, veel gevlekte juvenielen. Ik schurk me tegen het duin aan en observeer. Stil zitten ze, op veilige afstand van elkaar en tóch samen. Als ik voorzichtig een paar stappen zet, vliegen ze al snel op. Vreemd, in Alkmaar landt een Zilvermeeuw op een overbevolkt terras, hier, samen met de andere vogels, zijn ze eerder schichtig dan brutaal. Ik trek me terug in de luwte van het duin. De rust keert terug. Ze lijken me niet te zien. Maar dat is schijn. Als ik met een ingehouden gebaar een minuscule broodkorst in hun richting werp, vliegen direct tientallen meeuwen op. Deze dieren zijn uiterst visueel georiënteerd.

Het laatste stuk naar Den Helder. Zo dicht mogelijk volg ik de kustlijn. Dezelfde plekken van de heenweg, maar dan bijna een maand later. Op het pleintje in Callantsoog is het hoogseizoen achter de rug. Op de daken geen enkele meeuw. De Grafelijkheidsduinen zijn uitgestorven. Ook op de zeedijk richting Den Helder weinig vogels.

De boot naar Texel: rustig.

Het witte kerkje van Den Hoorn. Het onverharde pad vlak voor de strandopgang, de duinen in. De heide is uitgebloeid. De Horsmeertjes, op de heenweg vol kolkend vogelleven, zijn leeg, net als het landschap eromheen. De meeuwen zijn uitgezwermd, over Nederland, België, Frankrijk. Pas in het nieuwe broedseizoen zullen ze terugkeren. Nergens een vogelslag in de windstilte. Geen gekrijs, gemiauw, geblaf, geen tartende lach. En dan, ineens, uit het niets, stapt een fazant het pad op. Een mannetje. Hij stopt en draait de kop heen en weer. Ongelooflijk, dat glanzend blauw van zijn nek, het groen en rood van de kop, het goudgeel van de ogen, de witte snavel, de borst met die glanzende, kastanjebruine dakpannetjes … nooit zag ik het zo intens als nu … en ineens vliegt hij luidruchtig en met paniekerige vleugelslag weg, laag over het duinstruweel.

image

Ook op de tweede dag van mijn Imitatio (klik hier voor deel 1) is het stralend en behaaglijk warm nazomerweer. Ideale omstandigheden voor een fietstocht. Welgemoed reis ik af naar het eindpunt van de vorige etappe, tevens de plek waar Larus landinwaarts trok, vlakbij de kernreactoren van Petten. Vanaf hier zijn grote delen van mijn route een compromis tussen de in zuidoostelijke richting vliegende vogel en het asfalt dat daar grillig tegenin loopt.

Soms is Larus kilometers ver van me weg, vliegend boven weilanden, dan weer kruist hij in een flits de weg waarop ik rijd. Pas op de Westfrieseomringdijk gaan we een paar kilometer gelijk op. Ik prijs me gelukkig met zijn keuze … wat een fraai cultuurlandschap is dit! Dijk & polders & water & donkergroene koolvelden. Net als in de Grafelijkheidsduinen lijkt het geen toeval dat hij hier vliegt. Langs de dijk liggen meertjes, rust- en vergaarplekken vol met eenden, ganzen en meeuwen … ik voel Larus nabij en kijk omhoog … daar vliegt hij … boven deze eeuwenoude dijk die zich, 126 kilometer lang, kronkelend een weg baant door West-Friesland. Zeven eeuwen geleden snoof je hier de zilte zeelucht op, zag je buitendijks de stromingen van eb en vloed …

image

En ineens zwenkt hij af, over akkers, richting Tuitjenhorn. Ik heb het nakijken. In het dorp, nuchter West-Fries en met een koolgestuurde economie, kom ik hem weer tegen en rijd mee naar het industriegebied. Vreemd: voor de hoge loodsen staat een metershoge groene papegaai. Ik weiger me te laten vermoeien door zoveel absurditeit en rijd het terrein op, tot de ingang van wat een recreatiepark blijkt te zijn, het Van Blanckendaell Park. Een informatiebord geeft aan wat er allemaal te doen is: speeltuin, boerenmuseum, zwembad met familieglijbaan en een dierenpark … vandaar natuurlijk die papegaai langs de weg!

Gekrijs in de lucht.

Een meeuw.

Direct ga ik erachteraan, langs donkere, verlaten ogende loodsen. Nog nét zie ik hoe hij daalt en verdwijnt achter de omheining van het recreatiepark. Op mijn telefoon – handig toch dat mobiele internet – vind ik de plattegrond van het park. Het lijkt erop dat hij is geland bij een vogelvijver bevolkt met, zo lees ik, eenden, duiven, zwanen, ganzen, reigers, kraanvogels, ibissen en pelikanen. Slim! Op zo’n plek is ongetwijfeld eten te vinden. Dat kunnen Zilvermeeuwen ook al: voedsel afpakken van tropische vogels … maar laat ik niet teveel dralen … de dag glijdt tussen mijn vingers door … ik moet vaart maken … net als Larus … want op zijn nest gooien de jonkies hun kopjes achterover en sperren hongerig de bekjes … ze willen tikken tegen de oranje vlek op de onderkant van zijn snavel, zodat hij het voorverteerde voedsel opbraakt … ik zet mijn blik op oneindig … Warmenhuizen … Diepsmeerpolder … in Koedijk, gemeente Alkmaar, maar dorps ogend, kom ik, wonderlijke samenloop, langs het huis van H. en C.. Zij blijken pal onder de doorvliegroute te wonen. Misschien heeft hij wel op hun dak gezeten!

Ik bel aan.

De ontvangst is gastvrij en als een echte omnivore meeuw drink en eet ik wat voor mijn voeten ligt. Het is warm en gezellig, onder die parasol in de tuin. De zon brandt, de sfeer is lekker loom. Ik zak wat onderuit, maar ik verman mezelf en besluit weer op pad te gaan, anders komt die tocht nooit af! Bij mijn vertrek legt H. me uit hoe ik het snelst in Alkmaar kom, maar hij slikt zijn woorden in: ‘Ach ja … natuurlijk … jij volgt de meeuwenroute …’ Ik knik, een beetje ongemakkelijk, want laten we eerlijk zijn: dit is toch eigenlijk wel een raar project.

En terwijl mijn gevleugelde tochtgenoot losjes over daken vliegt, voor- en achtertuintjes passeert alsof het niets is en de kortste weg neemt over labyrintische woonerven, arriveer ik met verhitte remblokjes in het drukke centrum van Alkmaar. Daar vallen we weer even samen. Zonder twijfel heeft hij hier, op het fraaie Waagplein, gepauzeerd. Onder het genot van een Italiaans ijsje overzie ik de terrassen die zomers vol zitten. En ja hoor, je hoeft maar even omhoog te kijken om ze te zien zitten, de meeuwen, net als in Callantsoog, op lantaarnpalen, dakpunten, de ophaalbrug, de Waag …

image

Mijn ijsje is al lang op, als dan tóch gebeurt waarop ik de hele tijd hoop, nota bene vlak voor me, op het terras. Een forse Zilvermeeuw landt moedig op één van de parasols. Eronder zitten een gezapige man en even gezapige vrouw. Direct voel ik een instinctieve neiging om het voor de meeuw op te nemen. Irritatie schiet door me heen als de man een vadsige slok neemt van zijn biertje en een vlammetje opprikt. Bijna woede voel ik, als zij, even consumptief, een slok neemt van haar prosecco en eet van haar pomodorisalade met licht geroosterde pijnboompitten en buffelmozzarella, overgoten met extra vierge olijfolie van de eerste koude persing, op een bedje van rucola … zo moet het op de menukaart staan, denk ik gestuwd … en natuurlijk heeft de meeuw deze overdaad in de gaten. Voorzichtig waggelt hij naar de rand van de parasol, balancerend op het doorbuigende textiel … dat gaat mis … hij glijdt onderuit, buitelt over de rand, maar corrigeert zich met een acrobatische beweging, en vliegt weg … de vrouw schrikt en slaakt een hysterisch gilletje waarna de man, als reactie, begint te lachen, nee … schuddebuiken. In zijn opengesperde mond ligt een stukgebeten vlammetje. Omstanders beginnen mee te lachen. Het laatste restant objectiviteit vloeit uit me weg en ik trek compromisloos partij voor de meeuw … maar ik houd me rustig … kijk altijd eerst goed om je heen voordat je ingrijpt in heikele situaties … nee … hier zijn geen medestanders te vinden, iedereen heeft op zijn tafeltje wel iets te eten staan … en met een zelfkwellende precisie analyseer ik de consumpties in mijn directe omgeving … een broodje bieslook-roomkaas met kappertjes en avocado … gerookte kip met een huisgemaakte pesto en gemalen cashewnoten … wilt u dat geserveerd hebben met een pistoletje, waldkornbroodje, ciabatta, baguette, vloerbroodje bruin of Italiaanse bol?

Dus houd ik me in, daar op het Waagplein. Ik ben te laf om op een stoel te gaan staan en te schreeuwen hoe hard die meeuw wel niet aan het werk is. Ik zou over Larus willen vertellen. Dat hij helemaal op Texel een nest heeft en dat hij er misschien wel uitziet als een lefgozer, maar dat is uiterlijke schijn. Weet u wel, meneer Biervlammetje, dat Zilvermeeuwen aan het begin van de 20ste-eeuw nog bejaagd werden, dat de eieren werden gegeten en de veren geplukt? Dat ze weliswaar dertig jaar oud kunnen worden, maar gemiddeld de zes jaar niet halen? En dat ze maar een paar eieren leggen die, in de open, kwetsbare nesten die ze hebben, vaak leeggeroofd worden? En weet u, mevrouw Proseccorucola, dat meer dan de helft van de jongen kort na de geboorte sterft, door ondervoeding, predatie, hitte of zware regenval? En dat ze ook nog eens last hebben van vergiftiging, schadelijk afval en vislijnen? Dus, beste mensen op dit terras, ik vraag u vriendelijk deze meeuw niet uit te lachen … ze hebben zichzelf toch niet gemaakt?

Het is beter dat ik vertrek.

In zuidelijke richting verlaat ik de stad en kom terecht op het industriegebied Boekelermeer. Daar maakt Larus, zo zie ik op de kaart, een nieuwsgierig makende lus. Al snel is duidelijk waarom: er ligt hier een groot afvalverwerkingsbedrijf. Achter hoge hekken cirkelen honderden, misschien wel duizenden meeuwen rond. Ik stop bij een aanpalende, brede sloot en tuur naar de gemengde troep watervogels die erop rondscharrelt. Een bordje vertelt me dat ik aan de rand sta van een ‘ecozone’. Verboden te crossen. Om de natuurlijkheid van de desolate groenstrook te verhogen is het pad erdoorheen in een elegante slinger aangelegd. Want natuur is niet recht, maar krom, zullen de natuurontwikkelaars achter hun tekentafels bedacht hebben. Inmiddels is me duidelijk dat er permanent meeuwen heen en weer vliegen tussen de afvalverwerking en de sloot. Kortom, deze voor mensen zo ongezellige, verlaten plek is voor meeuwen juist ideaal: bergen afval gecombineerd met zoet water.

image

Nauwelijks weer op de fiets, houdt een fris en nieuw ogend industrieel complex me staande. Dikkere en dunnere buizen vlechten chaotisch in en door elkaar. Op een bord staat de naam van het bedrijf: Taqa Energy. Hoofdkantoor in Abu Dhabi … de tocht van Larus begint inmiddels hallucinerende proporties aan te nemen. Ineens bevind ik me in de Verenigde Arabische Emiraten! Op het terrein staat een opvallend object: een hoge witte toren, naar boven toe smaller wordend en eindigend in een ongemeen fraaie, getordeerde vorm. Misschien komt het door Abu Dhabi, maar de spiraal doet me denken aan een minaret. Maar er is niets religieus aan deze plek. Volgens het bord gaat het hier om ‘gasopslag’.

Gasopslag?

De wirwar van buizen geeft geen antwoord. Gelukkig valt mijn oog op een aantal gestapelde containers waarin een informatiecentrum blijkt te zijn gevestigd. De deur is op slot, maar een vriendelijke man met witte veiligheidshelm komt naar me toe en laat me binnen. En dan kom ik, dankzij Larus, terecht in de volgende parallelle wereld …

Direct leer ik een nieuw woord, poëtisch en raadselachtig van klank: ‘gasrotonde’. De veiligheidshelm ziet mijn vragende blik en begint met groot enthousiasme te vertellen. Nederland is een logistiek knooppunt van Europees aardgas. Honderden kilometers pijpleidingen uit Groningen, Duitsland, België, de Noordzee, Noorwegen en Rusland lopen door onze bodem, in een ring rondom het IJsselmeer. Vandaar het woord ‘rotonde’. Op een paar plaatsen slaan we in ons land gas op: Grijpskerk, Norg en Zuidwende. Vanaf 2015 gaat dat ook in Alkmaar gebeuren, op 2200 meter diepte, in een verlaten gasveld. Externe partijen kunnen vervolgens opslagruimte huren, gas in de zomer goedkoop aanschaffen en later, als het nodig is, met winst verkopen. Nederland Distributieland. ‘Kortom,’ zegt de witte helm, ‘gegarandeerde levering als het koud is, tegen een gunstig tarief.’ Hij glimt van trots: ‘Dit wordt de grootste gasopslag van Europa, goed voor 4,1 miljard kubieke meter, wat overeenkomt met het gasverbruik van 2,5 miljoen huishoudens!’
Het begint me te duizelen … hoeveel gas verbruik ik eigenlijk? Misschien moet ik even bellen naar Abu Dhabi, of Grijpskerk, of Norg, of Zuidwende …
Ik loop naar het raam en zie weer die fraaie, gespiraliseerde minaret. ‘Waar dient die toren eigenlijk voor?’
‘Dat is een ventiel …’
‘Een ventiel?’
‘Ja … als de druk van het ondergrondse gas te hoog wordt, laten we het ontsnappen in de lucht!’
‘En die spiraalvorm?’
‘Nuttig als het hard waait. De spiraal vangt de wind en laat de toren draaien, waardoor die meer kracht verdraagt. Zo blijft ie mooi rechtop staan!’
De helm komt naast me staan. ‘Mooi ding is het, vind je niet?’
‘Ja,’ vul ik aan, ‘vorm en functie vallen perfect samen … drukken elkaar uit … eigenlijk is de toren … kunst … industriële kunst …’
Ik kijk hem aan, een beetje gegeneerd over zoveel vaagheid. Maar hij knikt instemmend: ‘Ja … mannelijke kunst … pure anti-kitsch!’
We lachen en schudden, ter afscheid, hartelijk elkaars handen.

Op de fiets denk ik na over wat hij me óók nog vertelde: dat bijna de helft van de gasopslag in handen komt van het grootste aardgasbedrijf te wereld, Gazprom. Gevolg is dat de Russen vanuit Nederland gas kunnen gaan verkopen … vroeger of later gaat die gasrotonde problemen opleveren, dat voel je gewoon aan …

Niet lang na Taqa Energy rijd ik weer in het vertrouwde landschap. Slootjes met knotwilgen. Dijken met schapen. Een molen. Al die werelden doorkruist Larus, slim anticiperend op een grote variëteit aan voedselbronnen. En eigenlijk doe ik precies hetzelfde. Want een klein stuk in westelijke richting hoef ik maar van de Imitatio af te wijken om bij E. en A. te komen, in Egmond aan den Hoef. Daar krijg ik een fantastische avondmaaltijd voorgeschoteld. Als beloning vertel ik over Larus en zijn tocht van Texel naar Amsterdam, en terug. Breed spreid ik de kaarten uit met de ingetekende route en vertel over mijn belevenissen. Ze luisteren ademloos. Uiteraard. Want meeuwen zijn geniale verhalenvertellers.



Klik hier voor deel 3
De GPS-track van de Zilvermeeuw is afkomstig van www.vogelhetuit.nl.

image

In de vroege ochtend van 20 maart 2014 vloog een mannelijke Zilvermeeuw weg van zijn nest op de zuidpunt van Texel. Een GPS-apparaatje op zijn rug legde de tocht vast (zie foto boven). In de loop van de middag keerde hij terug in zijn broedkolonie, na een tocht die reikte tot in Amsterdam-West. Een duizelingwekkende prestatie. Maar waarom zou je als vogel zo ingewikkeld doen? Dichterbij kun je toch ook voedsel halen? En hoe oriënteerde het dier zich over zo’n afstand? In een poging meer vat te krijgen op dit soort vragen, besloot ik de route van die 20e maart zo precies mogelijk te herhalen. Dat bleek echter een ingewikkelde klus te zijn. Waar de vogel er een half dagje over deed, kostte deze Imitatio Ornithologica, te voet en op de fiets, gehinderd door grillig lopende wegen, weilanden, hekken, verbodsborden, watermassa’s, noodweer en een keur van belevenissen uiteindelijk vijf dagen.

De Zilvermeeuw is een verre van geliefd dier. Mensen vinden dat hij brutaal is, de boel onderpoept, onze mosselkolonies aanvreet, vuilniszakken opentrekt, nestelt op platte daken in de steden en ons daar te vroeg wakker maakt. Mooi zingen kan hij ook al niet. Zijn gekrijs, gemiauw, geblaf en spottend gelach tarten ons muzikaal gevoel. Het gevolg is dat er, soms letterlijk, strijd gaande is tegen dit dier. Gespecialiseerde bedrijven helpen deze anti-nachtegalen te verdrijven en in sommige gemeenten riskeer je een boete als je ze voert.

Op een mooie zomerdag in augustus vertrek ik naar de broedkolonie waar, in het voorjaar, zo’n 5000 paartjes nestelen. Fiets mee in de trein, van Haarlem naar Den Helder. Op de boot naar Texel heerst een uitgelaten vakantiedrukte. Vrolijke, opgeruimde mensen. Ik nestel me in het restaurant en blader, ter voorbereiding op mijn queeste, door mijn vogelgids … het determineren van meeuwen blijft een ingewikkelde zaak. De mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar en tegelijk zijn er grote verschillen tussen de volwassen dieren en de kleintjes (juvenielen), met hun patroon van bruine vlekken. En om het nog eens complexer te maken zijn de jeugdstadia van Zilvermeeuwen en Kleine Mantelmeeuwen nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Ik sla de twee 1:50.000-kaarten van Noord-Holland open en tuur naar de GPS-tracks die ik er met potlood zo precies mogelijk op heb aangegeven. Wat een tocht is dat toch geweest! Vooral dat verste punt in Amsterdam-West intrigeert. Daar kwam hij niet alleen op die 20e maart, maar ook in het jaar ervoor, in 2013, maar liefst 37 keer. Dat kan geen toeval meer zijn … waarschijnlijk had hij die dag bij zijn vertrek het keerpunt bewust voor ogen!

Ik volg de licht golvende lijn die hij maakte en vraag me af hoe hij zijn richting wist te vinden. Puur op geheugen? Of gebruikte hij één van de strategieën die voor vogelnavigatie zijn beschreven: visuele kenmerken in het landschap (rivieren, kanalen, kustlijnen, snelwegen), zonnestand, polarisatiepatroon van zonlicht, windrichting, aardmagnetisme, inwendige klok, laagfrequent geluid (zoals golven aan de kust), geuren? Een definitief antwoord is, zeker voor deze soort, niet te geven. Een alomvattende theorie over vogelnavigatie bestaat nog niet.

Het Marsdiep is niet zo breed, dus we zijn er al. Ronkend en walmend braakt de boot zijn autodekken leeg. Gelukkig kan ik snel linksaf, de meute achter me latend, naar Den Hoorn, met zijn van verre herkenbare witte kerktoren. Ik rijd de lange dorpsstraat door, in de richting van de zee. Vlak voor de strandopgang sla ik linksaf en kom via een onverhard pad in de Kelderhuispolder, waar in het voorjaar de broedkolonie ligt. Maar in de buurt van het vertrekpunt kom ik niet. Het terrein is te ruig en je mag het pad niet af. Vanaf een duintop schat ik, grofmazig, de locatie in. En dan … tja … het is wat sullig … zit mijn verblijf op Texel er al op. Want op die 20e maart vertrok mijn meeuw linea recta naar zee om pas onder Den Helder aan land te gaan. En zo komt het dat ik, anderhalf uur na de heenreis, weer op de boot zit … mijn kortste verblijf ooit op Texel … zonde … gelukkig maakt het grootse, panoramische uitzicht vanaf het buitendek veel goed. Verderop in de Noordzee licht een zandstreep geel op. Dat moet Noorderhaaks zijn, die onbewoonde, wandelende zandplaat waar mijn meeuw overheen vloog. Maar meer kom ik over hem niet te weten. Vooralsnog blijft hij een tamelijk anoniem wezen.

Weer braakt de boot zich leeg. Wat een geploeter eigenlijk, al dat vakantieverkeer, al die volgestouwde auto’s, caravans en campers. Dat doet zo’n meeuw toch een stuk handiger, met slechts een lichtgewicht GPS-tracker op zijn rug!

In Den Helder sla ik direct rechtsaf, de zeedijk op, waar je riant overheen kan fietsen. Bij de knalrode vuurtoren van Den Helder, de Lange Jaap, voeren een oudere man en vrouw een groep vogels. Zilvermeeuwen! Het lijkt wel alsof het tafereel speciaal voor mij in scène is gezet, als een startschot voor mijn Imitatio. Deze kans laat ik niet lopen … ik stap van mijn fiets en ga op een paar meter afstand zitten.

De man kijkt me onderzoekend aan.
Ik breek het ijs met een open deur: ‘Voert u meeuwen?’
‘Elke week!’ zegt hij triomfantelijk.
Boterham na boterham werpt hij naar de kluwen vogels. Gekrijs, gekift, gevecht. Meeuwen zijn echte lawaaipapegaaien! Na de derde broodzak volgt wat hij ‘het toetje’ noemt: oude krentenbollen. ‘Die lusten ze óók … echt … ze vreten werkelijk alles!’
Zijn vrouw vult aan: ‘De jonkies zijn zo zielig … die worden weggedrukt door de grote … kijk maar …’ Ze werpt een boterham naar een juveniel die, inderdaad, kansloos is. ‘Weet u, meneer … ze blijven maar dooreten!’
Inderdaad, denk ik, voor Zilvermeeuwen is het nooit genoeg. Omnivoren zijn het. Ze eten vissen, insecten, mosselen, wormen, eieren van andere vogels, plantaardig materiaal en, voor meer dan 30%, afval (vaak afkomstig van vuilnisbelten). Dat ze maar dooreten is waarschijnlijk uitdrukking van het oorspronkelijke leven dat ze hebben of hadden. De meeste meeuwen nestelen namelijk in een gebied dat elk moment door de elementen kan worden weggevaagd. Daarom kun je als meeuw maar beter alles opeten wat voor je poten terechtkomt.

De vrouw schudt haar laatste zak leeg en het klopt: alles gaat op. Ze kijkt me taxerend aan en wil iets zeggen, maar slikt haar woorden in. Misschien, zo zie ik haar denken, ben ik wel één van die meeuwenhaters, of een opsporingsambtenaar die een bekeuring gaat uitdelen. Maar uiteindelijk draait ze zich naar me toe en zegt, op licht verontschuldigende toon: ‘Die beesten hebben zichzelf toch niet gemaakt?’
Verderfietsend, mijmer ik over deze ogenschijnlijk simpele, maar tegelijk diep-filosofische uitspraak. Want de vrouw raakt een fundamenteel thema aan: de wil en het recht om te leven. En ik neem een besluit: mijn meeuw krijgt een naam. Moeilijk is dat niet. Ik gebruik gewoon het eerste deel van zijn Latijnse soortnaam: Larus argentatus.

Larus.

Klinkt best goed.

Na een paar kilometer kom ik bij de plek waar Larus aan land is gegaan. Ik neem het fietspad achter de hier zo smalle duinenrij. Het aanpalende natuurgebied heet de Grafelijkheidsduinen, ingedijkte restanten van twee voormalige Waddeneilanden. Ik taxeer het terrein. Ja, ik kan me wel voorstellen dat hij hier aan land is gegaan. Want, hoewel meeuwen zeewater drinken, prefereren ze zoet water en dat is hier overvloedig aanwezig.

Het fietspad door de duinen valt voor ongeveer achttien kilometer samen met de tocht van Larus. Ik kan vaart maken. Mijn fiets ratelt tevreden en volgt soepeltjes zelfs een serie fietsknooppunten: 05, 08, 94, 12 en 26. Ik visualiseer Larus, boven me vliegend. Inmiddels is hij geen anoniem dier meer, eerder een gids die me de weg wijst, want hij ziet veel meer, vanuit de lucht: de horizon, het flikkerende licht op het zeewater en de strekdammetjes met zijn favoriete, eiwitrijke mosselen eraan vast.

Bij Callantsoog stokt de tocht. Larus heeft lak aan wat wij, vleugellozen, aan infrastructuur hebben aangelegd. Ik besluit te pauzeren om nog eens goed op de kaart te kijken. Ik rijd het centrum van het dorp in en ga zitten op een bankje tegenover een DA-drogist met een inpandige speelgoedwinkel genaamd Top Toys. In de verte maakt een zomerkermis lawaai. Om me heen roezemoest het gezellig op de terrassen. De mensen eten, drinken, drentelen, keuvelen, dromen hun zomer. Belangrijkste voertaal: Duits. Het raam van een snackbar schreeuwt een voordeeltje: ’Om mee te nemen: zak patat met 4 snacks en 1 saus naar keuze. Slechts 11 euro!’ Kortom: ideale plek voor zilvermeeuwen, die wel van gefrituurde waar houden … ik kijk omhoog … en inderdaad … daar zitten ze … daar … en daar … overal … op puntdaken, lantaarnpalen, balkonnetjes, schoorstenen. En maar kijken, loeren, de kop draaien, totdat iemand per ongeluk iets laat vallen. Nergens zitten ze gezellig naast elkaar, zoals zwaluwen of spreeuwen dat kunnen doen, altijd houden ze gepaste afstand van elkaar. Tegelijk werken ze ook samen, door waarschuwend te krijsen als ergens iets te halen valt. Zilvermeeuwen zijn conculega’s van elkaar. Zo zijn ze tijdens de broedtijd (meestal) kolonievormend maar verdedigen daarbinnen met groot fanatisme het eigen nest. In dezelfde periode leven ze monogaam, daarna waaieren ze individueel uit over het land om in het nieuwe broedseizoen weer samen te komen met hetzelfde mannetje of vrouwtje. Zilvermeeuwen hebben een uiterst breed gedragsrepertoire.

Voorbij Callantsoog volgt Larus nog een paar kilometer de kustlijn van het natuurreservaat Zwanenwater. Daar loopt echter geen fietspad doorheen. Ik besluit de rondwandeling door het gebied te maken, in een poging hem zo te naderen. Maar dat lukt slecht, want het fraaie gebied is grotendeels ontoegankelijk. De vele vogels in verte, op en rondom twee meren, zijn niet groter dan stippen. Knap eigenlijk wat Larus doet! Eerst scharrelt hij nog tussen de toeristen in Callantsoog, niet veel later is hij dier onder de dieren in het Zwanenwater.

Terug bij de fiets, besluit ik op Sint Maartenszee aan te koersen. Binnen de route is dat een markant punt, want hier verlaat Larus de kustlijn om landinwaarts te trekken. Dat doet hij overigens vlakbij bij de kernreactoren van Petten. Defecte stralingsmeters en haperende waarschuwingssystemen deren hem niet. Hij kiest zijn eigen weg.

Voor de zoveelste keer tuur ik naar de topografische kaart. En dan valt me iets op: vanaf het moment dat hij de kuststreek verlaat, vliegt hij in een vrijwel rechte lijn naar het keerpunt in Amsterdam. Dat doet hij echter niet in een wiskundig rechte lijn, maar in licht golvende bewegingen waar mijn asfalt hoekig en amechtig omheen zigzagt. De complexiteit van de tocht dringt zich aan me op. Lichtelijk ontmoedigd besluit ik er voor vandaag een punt achter te zetten. Bovendien vordert de avond en ik moet ook nog naar het dichtstbijzijnde treinstation, Schagen. In het donker rijd ik mijn straat in, met het besef dat dit project veel langer gaat duren dan ik van tevoren had ingeschat. Ik ben nog niet eens in Alkmaar …

Voor het slapen gaan herhaal ik in gedachten de afgelegde route. Het zo vertrouwde Noord-Hollandse landschap heeft voor mij een ander gezicht gekregen. Dat krijg je als je met dierenogen gaat kijken. En nee, zo dringt het aan me op, het klopt niet wat mensen over meeuwen zeggen. In de stad zien ze een brutaal exemplaar bij een snackbar of afvalbak en maken vervolgens een karikatuur, door hem af te schilderen als een decadente, opportunistische rover die uit de ruif van onze obese wegwerpmaatschappij vreet. Maar mijn Larus is niet vraatzuchtig, noch mateloos. Hij is onderweg om voedsel te halen voor de hongerige jonkies op zijn Texelse nest!


Klik hier voor deel 2

De GPS-track van de Zilvermeeuw is afkomstig van www.vogelhetuit.nl.

Tandeloze wapens

nachtwacht

Het Rijksmuseum. De Nachtwacht. Als jongetje kwam ik er al, tijdens de museumlessen op de lagere school. Maar hoe goed keek ik in al die jaren naar het schilderij? Soms heb je een duwtje nodig om beter waar te nemen. Dat gebeurde me afgelopen 24 maart. Obama bezocht, voorafgaand aan de nucleaire top in Den Haag, het Rijksmuseum. ’s Avonds zag ik in de krant de foto die de wereld rondging: Obama en Rutte voor de Nachtwacht, met op de achtergrond de centrale personages van het schilderij, kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch. Dit onweerstaanbare beeld, vermengd met Barack’s charisma, deed me de volgende dag in het museum belanden.

Een groep Japanners dromt voor me samen. Om de beurt fotograferen ze elkaar, met de Nachtwacht op de achtergrond. Zeker een kwartier duurt het voordat ze allemaal aan de beurt zijn geweest, dan pas stommelen ze weg. Rembrandt hebben ze alleen op de schermpjes van hun camera’s gezien …

Ik zet een stap naar voren en kijk nog eens goed naar Banning Cocq en van Ruytenburch. Bijna vierhonderd jaar staan ze naast elkaar, omringd door zestien van hun manschappen. Samen vormen ze de schutterij van de Kloveniersdoelen: voorname, trotse mannen uit de gegoede burgerij. IJdele mannen ook, die pronken met hun status. Nee, het ziet er niet naar uit dat ze ten strijde gaan trekken. Het is een erewacht, een stelletje ongeregeld, een 17e eeuwse variant van ons old boys network, een ceremonieel gezelschap waar je contacten legt en baantjes naar elkaar toeschuift.

Ik worstel me door een kluit bezoekers verder naar voren, en spel het schilderij. Kapitein Frans staat er voornaam bij, in het zwart gekleed, contrasterende rode sjaal om de hals, gesoigneerde baard met sik. Zijn handbeweging geeft aan dat hij de leider is, een soort Obama. Hij staat op het punt om te gaan bewegen. Luitenant Willem, die hem lijkt te volgen, houdt een nogal onpraktisch, maar wel esthetisch steekwapen in zijn hand. De schutters eromheen vormen een chaotische groep. Eén laadt zijn musket, de tamboer roffelt op zijn trommel, een hond slaat aan, op de achtergrond is er een wirwar van in de lucht priemende lansen, als vers uitgeworpen mikadostokjes … ja … eigenlijk moet je luisteren naar dit schilderij … je hoort de straat, de opgewonden kinderstemmen, de ruisende rok van die jonge vrouw in het licht, de tegen elkaar ketsende lansen, je hoort het Nederlands uit de Gouden Eeuw … eigenlijk is de Nachtwacht gevisualiseerde klank …

Het loopt tegen sluitingstijd. Ik slenter richting uitgang en kijk niet echt meer om me heen. Toch houdt op de afdeling Middeleeuwse Kunst een ongewoon object me staande. Een wonderlijke, getordeerde spiraalvorm. Is het gemaakt van bot, van ivoor?

foto

Narwhalsk1

Ik lees het toelichtende bordje. De wonderlijke titel doet me struikelen: ‘Eenhoorn-hoorns’. Het kunststuk blijkt te stammen uit de elfde eeuw … duizend jaar oud … daar is de Nachtwacht een kind bij! Het is een altaarstuk uit de (niet meer bestaande) Mariakerk in Utrecht, een kandelaar, gemaakt van de hoorn van een walvissoort, de narwal. Eeuwenlang zijn er kaarsen op gespietst. ‘Men dacht dat het de hoorns van de eenhoorn waren, een fabeldier dat gold als het zinnebeeld van de kuisheid van Maria.’ Ach ja … de eenhoorn … een nepbeest is dat, een kitscherig fabeldier, sentimenteel uitgevent in kinderboeken en halfbakken sprookjes.

Ik verlaat het gebouw en fiets door de stad, met dat wonderlijke stelletje op mijn netvlies: Barack Obama, Mark Rutte, Frans Banning Cocq, Willem van Ruytenburch, de narwal en de eenhoorn. De dagen erna, terwijl Obama in zijn Air Force One de wereld afstroopt, blijft vooral de narwal aan me knagen. Ja … een walvis is dat, met een rare hoorn op zijn kop … dat wist ik nog wel … maar verder? Op YouTube vind ik een filmpje. Narwallen in een desolate ijsvlakte, rustig zwemmend in een wak, de koppen boven het water uit. De hoorns strijken zachtjes langs elkaar heen, net zoals, zo stel ik me voor, de lansen op de achtergrond van de Nachtwacht.

Meer kom ik te weten over deze exotische dieren, die tot 90 jaar oud kunnen worden en leven in de Noordelijke IJszee. Zwaar zijn ze, tot 1800 kilogram, en lang, vijf meter is geen uitzondering. Desondanks zijn ze uiterst wendbaar en kunnen duiken tot twee kilometer diepte. Daar verdragen ze de immense druk van het inktzwarte, ijskoude water. Vooral de hoorn is een verbazingwekkend orgaan. Eigenlijk is het geen hoorn, maar een (slag)tand, die vrijwel uitsluitend bij de mannetjes voorkomt. Vanuit de linker bovenkaak groeit een hoektand twee tot drie meter uit, in een fraai spiraalpatroon. Probeer dit huzarenstukje maar eens in gedachten op te bouwen: draai, tegen de wijzers van de klok in, een punt cirkelvormig om een ander punt en beweeg het tegelijkertijd rechtlijnig, met constante snelheid, naar voren … De tand zou een rol spelen bij het doorboren van ijs, het spiesen van vis of het omwoelen van de zeebodem. Maar die verklaringen houden geen stand omdat de vrouwtjes geen slagtanden hebben. De meest plausibele theorie is dat de tand een seksueel kenmerk is, zoals de kam van een haan of de veren van een mannetjespauw (recent onderzoek ondersteunt deze gedachte: langere slagtanden duiden op zwaardere teelballen). Eigenlijk is het als met de wapens in dat legertje van Frans en Willem: ze zien er gevaarlijk uit, maar zijn toch betrekkelijk onschuldig, vooral bedoeld om op een esthetische manier indruk te maken. De schutters op de Nachtwacht en de mannetjesnarwallen: ze lijken op elkaar.

Een week later, nieuwsgierig, sta ik weer voor de vitrine met de spiraaltand. De paar bezoekers die stoppen, kijken vluchtig. Te weinig herkenning. Onduidelijk object. Maar ik zou het liefst de tand vastpakken, de spiraalvorm in mijn handen voelen, het gewicht en de hardheid taxeren. Aangrijpend en tegelijk komisch idee: eeuwenlang dachten de kerkgangers te kijken naar de hoorn van de magische eenhoorn, totdat in 18e eeuw het spoor naar de narwal leidde. Het sprookje was voorbij, de mythe onrafeld. De eenhoorn bleek bedrog, een fantoom, voer voor goedgelovige zwevers … maar nog geen tien minuten later breekt mijn weerstand. Verderop in het museum stuit ik, o wondere synchroniciteit, op een schilderij van Paulus Potter, Orpheus en de dieren, met centraal daarin … de eenhoorn …

foto1

Ach ja, die Orpheus. Met zijn lierspel kon hij alle wezens tot rust brengen. Hij toverde zoete klanken uit het paradijs, herinneringen aan een utopische, nog onbedorven wereld waarin roofdier vredig naast prooidier leeft. Wolf naast hert, met er tussenin … de eenhoorn. De slang die op het schilderij rondkruipt is ongevaarlijk maar zal later, de goede verstaander weet het, Eva verleiden en de zondeval in gang zetten.

De dagen erna lees ik verhaal na verhaal over de eenhoorn. De ene keer blijkt het een hertachtig paard met manen en leeuwenstaart, dan, zoals bij Potter, een paardachtig dier met geitachtige poten. Sinds de oudheid staat het magische dier symbool voor maagdelijkheid en schoonheid, maar ook voor dapperheid en strijdlust. Jagers kunnen het dier alleen met een valstrik vangen. Ze nemen een maagd mee het bos in, waar de eenhoorn op afkomt, en dan vangen ze hem. In de christelijke literatuur krijgt dit heidense jachttafereel een aangepaste vorm. De eenhoorn staat dan symbool voor Christus, de maagd voor Maria en de jager voor de aartsengel Gabriel die de Heilige Geest in Maria’s schoot brengt. Phallus en maagdelijkheid: een oeroud koppel.

Door Obama kom ik ook terecht in de Bijzondere Collectie van de bibliotheek Haarlem. Die bevat een serie fraaie houtgravures, met de eenhoorn als thema. In een apart kamertje, met witte handschoenen aan, mag ik de kunstwerkjes bekijken en er foto’s van maken. De mooiste vind ik die van de graficus en tekenaar Dirk van Gelder (1907-1990). Het is een ontroerend tafereel, laverend op grens tussen kunst en kitsch. Een eenzame eenhoorn in een maagdelijk besneeuwd, maanbeschenen landschap:

eenhoorn004

Nee: narwallen gebruiken hun tanden niet om te bijten of te steken. En het wapen van Willem van Ruytenburch is eerder een ornament dan een dodelijke dolk. Ook de tand van de eenhoorn heeft geen bloeddorstige bedoelingen. Al deze zogenaamde wapens zijn niet wat ze lijken te zijn. Misschien zouden de narwalkandelaars een plek moeten krijgen in de Eregalerij, naast de Nachtwacht, samen met het schilderij van Paulus Potter …

De kortste dag

Kerst in Intratuin

Het is koud en al bijna donker op de woonboulevard. Auto’s rijden af en aan. De hectiek voor kerst. Mijn inkopen zijn gedaan, ik kan naar huis. Of zal ik nog even het filiaal van Intratuin binnengaan? Mijn twijfel smelt door de nostalgische geur van de oliebollenkraam, de talloze kerstlichtjes en de muziek … inderdaad … Bing Crosby … White Christmas

En ik sta binnen.

Als een zoete deken valt de kerstsfeer over me heen. Een eindeloze stoet aan spulletjes, prullaria, snuisterijen, klein en groot, gaapt me aan. Sterren. Kerstballen. Lichtsnoeren. Engeltjes. Bloemstukken met ballen. Echte kerstbomen en alternatieve kerstbomen. Het houdt niet op. In een aparte ruimte is een winters miniatuurlandschap gebouwd, inclusief bewegende kabelbaantjes, een reuzenrad en een echt stoomtreintje. Ademloos kijken jong en oud naar het tafereel. Ook in het met glühwein vernevelde restaurant is de sfeer stemmig, helemaal als ik mijn favoriete kerstlied hoor …

Rudolph the Red Nosed Reindeer
had a very shiny nose
and if you ever saw it
you would even say it glows

Dat is kerst in onze tijd: de kerstman neemt het op voor een rendier dat door de andere rendieren wordt gepest. Als compensatie voor al het leed mag hij de arrenslee trekken … eind goed al goed …

Zeker, er zijn planten in dit tuincentrum, maar ze lijken eerder decorstukken voor een fantasiewereld dan concrete levende wezens. Vreemd eigenlijk, bedenk ik me, voortslenterend, dat er nergens een spoor is te bekennen van het eigenlijke kerstverhaal. Geen koningen of herders, geen Jozef noch Maria, nergens een kribbe. Bij Intratuin stap je met zevenmijlslaarzen over 2013 jaren cultuurgeschiedenis heen en beland je in een voorchristelijke droomwereld.

Op de afdeling met hondenspullen trekt iets ongewoons mijn aandacht. Een rechthoekige bak die tot heuphoogte reikt. Op de achterwand staat de naam van de constructie: hondendouche. Nooit van gehoord. Ik lees de gebruiksaanwijzing. Je kunt een programma doorlopen. Afhankelijk van de knop die je indrukt komt uit de douchekop water met shampoo, water met conditioner of water met bestrijdingsmiddelen tegen vlooien en teken. Met een zwarte slang kun je tenslotte je huisdier drogen, zowel in een lage als hoge stand.

Hondendouche bij Intratuin

Ik baal dat ik geen hond bij me heb, want dit ingenieuze concept zou ik wel in werking willen zien! Maar, toeval of niet, een man, type fitte oudere, komt aanlopen. In zijn winkelwagentje zit een, zo te zien, lief, maar onooglijk, viezig en vormloos vuilnisbakkie.
‘Kom maar schatje … hier moeten we zijn!’
De man kijkt me aan en glimlacht. Hij is trots op zijn beestje.
‘En nu ga je erin … nee … je hoeft niet bang te zijn!’
Behoedzaam tilt hij het dier op, zet het liefdevol in de bak en gooit een paar munten in de gleuf van het apparaat.
‘Nou, droppie … nu gaan we je eens lekker schoonmaken … want dat wil het vrouwtje … anders kom je er thuis écht niet in!’
De douchekop spuit shampoowater. Binnen de kortste keren schuimt het hondje van kop tot staart. Ondertussen inspecteer ik het winkelwagentje. Er ligt een doos met kerstlampjes in: ‘IJspegelverlichting. Voor binnen en buiten, 300 lampjes, lengte snoer 5,90 meter.’ Verder, in schreeuwende kleuren, een ‘dirty dog doormat’ en een halsband, merk Hurtta.
‘En nu de conditioner …’
Gedwee ondergaat hij de behandeling.
‘Wat een schattig hondje is dat!’ zeg ik, om het ijs te breken. ‘Hoe heet hij?’
‘Tja … goede vraag … hoe zullen hem eens gaan noemen?’
‘Heeft hij dan geen naam?’
‘Schurkie … zo gaat hij heten!’
‘Schurkie?’
‘Ja … op de parkeerplaats krabde ie zich nog rot …’ Op samenzweerderige toon: ‘Hij probeerde steeds met mensen naar binnen te glippen … ook via mij … drie keer heb ik hem buiten weten te houden … maar toen zag ik dat ie geen halsband om had … en nu mag ie bij mij komen wonen … tenminste … als mijn vrouw het goedvindt …’
‘Dus die naam heeft u net verzonnen?’
‘Ja … maar aan dat schurken gaan we nu een einde maken … kom maar op jochie … de vlo- en teekpreventie!’
Ik ruik een ondefinieerbaar chemisch luchtje. Pesticiden?
‘En nu eventjes uitspoelen … we zijn bijna klaar … Schurkie!’
Dan gaat zijn telefoon over. ‘Oei … dat zal het vrouwtje zijn!’
Een harde, hoge, hysterische stem.
‘Rustig … rustig … inderdaad … ik wil hem mee naar huis nemen … maar het is echt een schatje … ik heb hem net gewassen en behandeld tegen vlooien en teken … ik heb een speciale deurmat gekocht … en prachtige kerstverlichting …’
Ze verbreekt de verbinding. De man kijkt me indringend aan en zucht.
‘Uw vrouw gaat het vast wel goed vinden …’
‘U kent haar niet …
Daar is de telefoon weer.
‘Nou, Schurkie … dat is de bel voor de volgende ronde!’
Dezelfde gillende stem.
‘Wacht!’ zegt de man, met verbluffende zelfbeheersing. ‘Ik loop even naar buiten … ik kan hier niet met je praten … er staat een meneer naast me!’ Hij legt zijn hand op het toestel en fluistert me toe: ‘Wilt u even op Schurkie passen? Dan kan ik even rustig bellen … alstublieft … dit is belangrijk voor me … u mag hem drogen … op de hoge stand … gewoon het knopje indrukken!’
Hoe zou ik kunnen weigeren?
‘Dank!’ Hij loopt weg en verdwijnt uit zicht.

Daar sta ik dan, met een wildvreemde, natte hond tegenover me. Maar ja, als honden eenmaal hun kop draaien en je schuin aankijken, met die vochtige ogen, dan ga je voor de bijl.
‘Goed … goed … ik blaas je wel droog …’ hoor ik mezelf zeggen.
Hij vindt het lekker, die föhn, en knijpt van genot zijn oogjes een beetje dicht. Wat een raadselachtig hondje ben jij eigenlijk, Schurkie. Je hebt geen halsband om. En wat zoek je in dit perifeer gelegen tuincentrum? Van wie ben jij geweest? Ben je ooit wel van iemand geweest?
Een schelle pieptoon. Het wasprogramma is afgelopen. Ik kijk naar Schurkie en voel tevredenheid. Hij ziet er zeer presentabel uit. Het lijkt wel of hij een total makeover heeft ondergaan.

Ik speur de hal af. Waar blijft het baasje? Ik wacht, vijf minuten, tien minuten … dit duurt te lang … ik wil naar huis … het is al laat …
Ik til Schurkie uit de douche, zet hem op de grond en pak de hondenlijn uit het winkelwagentje. Maar ik krijg de verpakking zo snel niet open. Tot overmaat van ramp zet Schurkie het op een lopen, waggelend, maar desondanks met een pittige snelheid.
‘Hierrr … blijfff!’
Onverstoorbaar loopt hij verder.
‘Hierrr!’
Als ik hem bijna te pakken heb, begint hij te grommen. Met vreemde honden moet je altijd op je hoede zijn, heb ik geleerd, dus ik laat hem gaan en volg op een paar passen afstand. Zo lopen en lopen we … rechtsaf, linksaf, rechtsaf, linksaf … eindeloos … het is niet bij te houden … ik verlies mijn oriëntatie.
‘Schurkie,’ roep ik met schorre stem, ‘we gaan terug … naar het baasje!’
Maar hij waggelt gedecideerd verder … een hoek om … nog een hoek … een lange gang … aan het eind schuift een deur automatisch open … warme lucht walmt naar buiten. We stappen naar binnen, ik bedoel: Schurkie stapt naar binnen, en ik volg.
Geroezemoes. Tientallen ronde, witte tafels met laaghangende, zacht brandende lampen erboven. De mensen aan de tafels zijn slecht te onderscheiden. Schurkie loopt door tot het midden, waar de grootste tafel staat, en gaat zitten. Hij kijkt me met zijn ooghoeken aan en hijgt van inspanning.
Wie zitten er rondom de tafel?
Ik tuur in het diffuse licht. Mijn hart slaat over. Daar … een grenzeloze lach op een zwart gezicht. Mandela. Naast hem zit een man met een witte omslagdoek en een rond, gouden brilletje op zijn neus. Gandhi. Aan de andere kant van de tafel zit een rijtje van vier. De gezichten zijn niet te onderscheiden, maar een man dichtbij me, ik zie alleen zijn rug, raadt mijn vraag en geeft het antwoord, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is: ‘Dat zijn … van links naar rechts … Boeddha, Jezus, Mohammed en Krishna.’
Ze spelen een kaartspel, maar ik kan niet zien welk. Ik zou aan willen schuiven, en mee willen doen, maar Schurkie blaft en zet zijn waggelkontje weer in beweging. Hij loopt in de richting van een kassa, met een lange rij ervoor. Hoewel de wachtenden zwijgen, is de stemming licht en opgeruimd.
Langzaam schuiven we op.
Dan ben ik aan de beurt. De caissière kijkt dwars door me heen. Ik voel dat ik bloos en kijk van haar weg. Ze pakt mijn hand en legt er iets in. Het voelt klein en rond aan, als een parel. Ik krijg geen tijd om te kijken, want ze vouwt mijn vingers eroverheen.
We moeten doorlopen, Schurkie en ik.
Bij de uitgang open ik mijn hand.
Leeg.
Leeg?
Schurkie staat naast me, en kijkt me aan, met die schuine kop.
‘Mag ik je oppakken?’
Dit keer gromt hij niet en ruikt lekker, naar shampoo en conditioner.
We lopen naar buiten, de parkeerplaats op. De koplampen van een auto knipperen.
Schurkie blaft blij.
Het baasje stapt uit.
‘Daar bent u!’ zegt hij, en bukt naar zijn hondje. ‘Dag schatje van me … ik heb goed nieuws … je mag met me mee naar huis … het vrouwtje vindt het goed!’

Mijn goede vriend H., die in Zuidoost-Azië woont en werkt, was een paar weken over in Nederland. In zo’n periode is er altijd veel te doen en te regelen. Rekeningen, verzekeringen, bezoekjes hier en daar. Op zijn lijstje stond ook de aanschaf van een nieuwe laptop. Een redelijk fluitje van een cent, zou je denken.

Maar dat pakte anders uit.

Na veel wikken en wegen koos hij voor een Sony VAIO, uit de S-serie, een duivels mooi apparaat uit het bovenste segment. Een flinke aanschaf, maar dan heb je ook wat. Volgens de fabrikant maakt ‘het upstream design process de VAIO uniek en ongeëvenaard’. Dit vlaggenschip onder de notebooks ‘is uitvoerig getest voor gebruik in de Sahara of poolgebieden, in stoffige ruimtes, op plekken met veel wind, in hobbelende auto’s en is geschikt voor doorlopend in- en uitschakelen’. Kortom, goed passend voor H.’s werk, dat zich niet altijd onder standaardomstandigheden afspeelt.

De bestelling verliep via internet, want zo doe je dat tegenwoordig. Een dag later stuurde de firma Correct uit Rotterdam een bevestigingsmail en weer een dag later arriveerde het apparaat in Amsterdam.

Tot zover alles op stoom.

Met frisse zin en gekamde haartjes zette H. zich achter zijn bureau. Verpakking verwijderen, doos openen, inhoud controleren … het heeft iets feestelijks, zo’n maagdelijk apparaat … Windows geactiveerd, software geïnstalleerd. Alles liep op rolletjes. De VAIO maakte zijn beloftes waar.

Maar toen sprong er een duiveltje uit het doosje.

Bij het installeren van de printer verscheen op het scherm een alarmerend geel gevarendriehoekje, inclusief uitroepteken, en een begeleidende tekst: ‘Printing does not work. Problems found: USBIF xHCI USB Host Controller has a driver problem’.

Kan gebeuren. Geen reden voor paniek.

Direct ging H. aan de slag, maar de ‘troubleshooting’ leidde tot een ontmoedigend resultaat: ‘Not fixed’. Dan maar bellen met de helpdesk van Sony. Ene Percy adviseerde om ‘fabrieksherstel’ uit te voeren, ‘een volledige PC reset’. Hoewel dat soort opmerkingen alarmerend klinken, stemmen ze me ook altijd positief. Want, inderdaad, computers kun je resetten, maar mensen niet. Dus al die verhalen over computergestuurde, zelfdenkende superrobotten die de mens gaan vervangen, zijn, tegen de uiterlijke schijn in, onjuist. Zo lost een simpel telefoontje met een helpdesk een groot filosofisch vraagstuk op.

Maar dat terzijde.

Inmiddels probeerde H. uit alle macht het hoofd koel te houden. Manmoedig en onverschrokken, hij had wel voor hetere vuren gestaan, ging hij aan de slag met het advies van Percy en klikte en klikte … ‘Instellingen’ … ‘Pc-instellingen wijzigen’ … ‘Bijwerken en herstellen’ … ‘Herstel’ … en klikte … gewoon doen wat je bevolen wordt … met computers kun je niet marchanderen, het zijn immers geen mensen … maar helaas … daar was het driehoekje …

Nieuwe ronde, nieuwe kansen. De helpdesk. Annabel kwam met een hoopgevend en technisch eenvoudig uit te voeren advies: ‘Check de printerkabel!’

Tja, zo simpel kan het leven soms zijn.

H. besloot dit deelproject uit te voeren bij zijn bovenbuurvrouw. Die zou daar zonder twijfel aan mee willen werken, ze houdt immers van gezelligheid. De volgende ochtend kon hij komen. Na de koffie, met tompouces van de HEMA, koppelde H. haar printerkabeltje los en sloot dat aan op zijn laptop … maar daar was die ongenode gast weer … het gevarendriehoekje. De diagnose was helder. Daarom sloot H. de printer van de buurvrouw weer aan. Maar toen trad de Wet van Murphy in werking. De HP kwam niet meer in beweging. Toeval? Domme pech? Verkeerde handelingen uitgevoerd? Hij zat er flink mee in zijn maag: ‘Ik voelde me verantwoordelijk voor dat verlamde apparaat. Uren ben ik bezig geweest om het probleem te herstellen, tot ik er scheel van zag. Maar het lukte me en daar ben ik best trots op!’ Voor de buurvrouw kon de reparatie niet lang genoeg duren. Na de koffie volgde een lunch met dik belegde boterhammen en de thee ging gepaard met een keur aan koekjes. Die dag kreeg ze zelfs de tijd om een ouderwetse groentesoep te maken, met handgedraaide balletjes.

Weldoorvoed, maar gefrustreerd, daalde H. de trap af, naar zijn eigen woning. Met lood in de schoenen legde hij weer contact met de helpdesk. Dossiernummer 9157597 kreeg een man met een zacht, Zuid-Nederlands accent aan de lijn. Die bracht, na raadpleging van zijn achterban, het slechte nieuws: de laptop moest voor reparatie naar Praag.
‘Naar Praag?’ zei H., verbaasd en met onderdrukte woede. Steeds weer zag hij de retourdatum van zijn vliegticket voor zich … veel tijd was er niet meer …
‘Naar Praag?’ vroeg hij nog eens, bezwerend, smekend.
‘Ja, daar zit onze repair facility …’
‘Wat?’
‘Ons reparatieatelier!’
Nee, laat je niet kisten door het leven. Vecht niet tegen de bierkaai, interpreteer tegenslagen positief. Deze VAIO was een mooie oefening in mindfullness. Leef in het hier en nu, oefen nederigheid. En trouwens, die laptop is ontworpen in Japan, ergens in een naburig lagelonenland geassembleerd en met een containerschip over oceanen vervoerd … dus waarom zouden we ons druk maken over een retourtje Praag?
‘Goed, ik stuur hem wel op … wat is het adres?’
Dat was een te simpele vraag.
‘We sturen eerst een speciale doos naar u toe, want daar moet de laptop in …’

Schoorvoetend accepteerde H. het onvermijdelijke.

De volgende dag stuurde Sony een sms: ‘De verpakking voor uw Sony-product is opgestuurd en zal u binnen 1-2 werkdagen bereiken.’ Dat werden dus vier werkdagen, wat, in het licht der eeuwigheid, verwaarloosbaar kort is … maar uiteindelijk was het dan zover: ‘UPS stopte voor mijn deur!’
‘UPS?’ vroeg ik in mijn onwetendheid.
‘Ken je dat bedrijf niet?’
‘UPC ken ik wel!’ antwoordde ik verdedigend.
H. keek me meewarig aan. ‘Ze vervoeren pakketjes … je ziet de busjes overal rijden!’
Ja, ik had wel de gele postkarretjes van Deutsche Post gezien, laatst nog, maar UPS kende ik niet. Als het om brieven en pakketjes gaat denk ik nog altijd aan bedrijfsnamen waarin de afkortingen als PTT, TNT of NL zitten verwerkt. Later heb ik toch maar even via internet aan nascholing gedaan. Mijn onwetendheid bleek nóg dramatischer: UPS is de grootste en oudste koeriersdienst van de wereld, opgericht in 1907. Het bedrijf is gespecialiseerd in logistieke processen, zoals warehouse management, air- en ocean forwarding, netwerkmanagement, fysiek transport, repair flows, consulting en optimalisatie van de gehele bevoorradingsketen …

Ik zie ze nu wél steeds rijden, die busjes van UPS.

Het koeriersbedrijf blijkt een meester te zijn in logistiek. Als je bij UPS een pakketje aanbiedt, krijg je een trackingcode. Als je daarop klikt, dan kom je op hun website en kun je zien waar het pakketje verblijft. Zo vertrok H.’s lege doos, te volgen via code 1ZA7552F6861149015, om 19:53 uur uit Frankfurt om in Herne-Boernich (Ruhrgebied) aan te komen. Vertrek aldaar om 2.07 uur. Bijkomende informatie: de lege doos (inclusief verpakking) woog 1,5 kilogram.

Anderhalve kilo?

Aan het eind van die dag zag H. het busje met hoge snelheid de straat inrijden. De service was optimaal: ‘De chauffeur deed op eigen initiatief de laptop in de doos.’ Omdat alles met de snelheid van het licht plaatsvond, vergat H. zijn begeleidende brief, met daarin gedetailleerde informatie over het computerprobleem, in de doos bij te voegen.

En weg was het busje.

Via de trackingcode 1ZA7551X9196657230 bleek dat de VAIO anderhalve dag later in Praag was aangekomen. Een sms’je van de afdeling Sony Repair bevestigde de gegevens van de website: ‘Het Sonyproduct is ontvangen en het toestel zal in plusminus drie werkdagen klaar zijn.’ Na, inderdaad, drie dagen belde de helpdesk, in de persoon van een oude bekende: Percy. Hij had van Praag gehoord dat ze geen probleem hadden gevonden, tevens zou er een nieuwe versie van Windows 8 op de laptop worden gezet. Dat alles leidde bij H. tot opluchting én gemengde gevoelens, immers, zijn begeleidende brief zat niet in de doos. Daarom vertelde hij voor de zekerheid het hele verhaal aan Percy. Die beloofde het een en ander terug te koppelen met de repair facility.

Een nieuwe trackingcode: 1ZA755G6862113855. De VAIO was vertrokken uit Praag. Aankomst in Amsterdam om 6.00 uur. Dezelfde dag, om 16.25 uur, kon H. de verloren zoon weer in zijn armen sluiten … hij opende de doos … daar lag hij … mooi ding toch, die VAIO … een naam die klinkt als poëzie … Visual … Audio … Intelligent … Organizer … klep omhoog … aanzetten … en dan de printer … ‘problems found: USBIF xHCI USB Host Controller has a driver problem’ … en, ja hoor, daar was hij weer, die goede oude bekende … het gele duiveltje …

Er was geen tijd meer voor een tweede retour naar Praag, want H. moest terug naar Zuidoost-Azië. Maar ook daar, in de tropische hitte, verscheen het uitroeptekentje. Tegen beter weten in mailde hij nog één keer naar de helpdesk. Per kerende post kreeg hij antwoord: sluit een ander printerkabeltje aan …

« Newer Posts - Older Posts »